Artikel 53octies, Wetboek van de Btw

Artikel 53octies

(De tekst van art. 53octies, § 3 en § 4, werd gewijzigd met ingang van 16.05.2014 (Art. 40, W 25.04.2014, B.S. 16.05.2014, pg. 39621))

§ 1. De Koning kan toelaten dat de door Hem aan te wijzen groepen van belastingplichtigen de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte slechts driemaandelijks, zesmaandelijks of jaarlijks indienen.

Hij kan toelaten dat de door Hem aan te wijzen groepen van belastingplichtigen, onder de door Hem te stellen voorwaarden, de in artikel 53sexies bedoelde intracommunautaire opgave slechts voor elk kalenderkwartaal indienen binnen een termijn van ten hoogste één maand te rekenen vanaf het einde van dat kwartaal.

Hij kan eveneens toelaten dat de belasting wordt voldaan door middel van maandelijkse voorschotten in de door Hem te bepalen gevallen en onder de door Hem te stellen voorwaarden.

Hij kan ook bepalen dat de belasting verschuldigd voor de handelingen verricht tijdens het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar moet worden voldaan voor het verstrijken van dat jaar. Hij regelt de toepassingsmodaliteiten van die bepaling.

Hij kan aan belastingplichtigen de verplichting opleggen om ieder jaar op de door Hem te bepalen wijze de administratie in kennis te stellen van het totale bedrag van de goederen die zij geleverd en de diensten die zij verstrekt hebben, in de loop van het vorige jaar, aan iedere afnemer gevestigd in een land waarmee België een verdrag tot wederzijdse bijstand inzake omzetbelasting heeft gesloten.

Hij kan andere verplichtingen bepalen om de juiste heffing van de belasting te waarborgen en om de fraude te vermijden.

§ 2. De Koning kan onder de door Hem vast te stellen voorwaarden toestaan en zelfs verplichten dat de in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, en 53ter bedoelde aangiften worden ingediend en dat de in de artikelen 53quinquies tot 53octies, § 1 bedoelde gegevens worden medegedeeld door middel van procedures waarbij informatica- en telegeleidingstechnieken worden aangewend.

§ 3. De gegevens van de aangiften en de inlichtingen bedoeld in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 53quinquies tot 53septies en 53octies, § 2, die door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, evenals hun weergave op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 3, hebben de gegevens en de stukken die de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ontvangen, opgesteld of verzonden in het kader van de toepassing van de wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde en die fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, evenals hun weergave op een leesbare drager, bewijskracht.