Artikel 85, Wetboek van de Btw
Artikel 85 (actuele versie)
(De tekst van art. 85, § 1, derde lid werd vervangen; tussen het vierde en vijfde lid, werd een lid ingevoegd; het zesde lid, dat het zevende lid werd, werd gewijzigd; het achtste lid, dat het negende lid werd, werd vervangen en het negende lid, dat het tiende lid werd, werd gewijzigd (Art. 9, W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020), met ingang van 01.01.2024 (Art. 21, 1° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd met een jaar uitgesteld tot 01.01.2025 (art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329)) (*) (**)
§ 1. Bij niet-betaling van de belastingschuld bestaande uit de belasting, nalatigheidsinteresten, fiscale geldboeten en toebehoren, wordt deze opgenomen in een innings- en invorderingsregister, die de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de belastingschuld en deze concretiseert. (***)
De belastingschuld kan het voorwerp uitmaken van verbeterende innings- en invorderingsregisters in het geval van een latere wijziging, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het innings- en invorderingsregister overeenkomstig het eerste lid.
De verantwoording van de belastingschuld wordt uiterlijk een maand vóór de opname ervan in het in het eerste of tweede lid bedoelde innings- en invorderingsregister, ter kennis gebracht van de belastingschuldige, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. In dat laatste geval wordt zij ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis gebracht.
In afwijking van het derde lid, wordt voor de belasting die in een aangifte ingediend door de belastingplichtige opgenomen is, alsmede voor de ermee verbonden nalatigheidsinteresten, toebehoren en proportionele fiscale geldboeten, de kennisgeving van de verantwoording geacht te zijn gebeurd op het tijdstip en door het loutere feit van de indiening van deze aangifte.
Voor de belastingschuld die voortvloeit uit een in artikel 53, § 1ter, zesde lid, bedoelde vervangende aangifte, met inbegrip van nalatigheidsinteresten, toebehoren en daarmee verband houdende proportionele fiscale geldboeten, wordt de kennisgeving van de verantwoording geacht plaats te hebben gehad op de datum van uitwerking van de kennisgeving van die vervangende aangifte.
Voor de belasting, die het voorwerp van een schulderkenning uitmaakt, alsmede voor de ermee verbonden nalatigheidsinteresten, toebehoren en proportionele fiscale geldboeten, wordt de kennisgeving van de verantwoording geacht te zijn gebeurd op het tijdstip en door het loutere feit van de ondertekening van de schulderkenning.
Behoudens in de gevallen bedoeld in het vierde tot zesde lid, is de datum van kennisgeving de derde werkdag volgend op de datum waarop de verantwoording van de belastingschuld werd afgegeven aan de aanbieder van de universele postdienst.
Mits de uitdrukkelijke toestemming van de belastingschuldige, kan de verantwoording van de belastingschuld hem uitsluitend ter kennis worden gebracht op elektronische wijze. In dat geval geldt de terbeschikkingstelling op elektronische wijze als rechtsgeldige kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het achtste lid bedoelde procedure, alsook het minimumbedrag van de in het eerste lid bedoelde belastingschuld die aanleiding kan geven tot de invordering.
Het derde tot het negende lid zijn niet van toepassing op de belastingschuld die voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 66 en 67.
§ 2. De innings- en invorderingsregisters worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de administrateur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde of door de door hem gedelegeerde ambtenaar.
De Federale Overheidsdienst Financiën vertegenwoordigd door de Voorzitter van het Directiecomité is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Verordening (EU) 2016/679.
De Koning regelt de wijze van opmaak van de innings- en invorderingsregisters.
§ 3. Van zodra het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar wordt verklaard, wordt de opname van de fiscale schuld in dit register aan de belastingschuldige ter kennis gebracht door de verzending, onder gesloten omslag, van een innings- en invorderingsbericht. Dit vermeldt de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister waarop het betrekking heeft.
In afwijking van het eerste lid kan de belastingschuldige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de innings- en invorderingsberichten uitsluitend op elektronische wijze, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding op elektronische wijze als rechtsgeldige verzending van het innings- en invorderingsbericht.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het tweede lid bedoelde procedure.
(*) Artikel 22, van de wet van 12.03.2023 ( B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) bepaalt:
“De Koning kan een latere datum van inwerkingtreding bepalen dan die vermeld in artikel 21, eerste lid, zonder dat die datum later mag zijn dan 1 januari 2025.
In geval van toepassing van het eerste lid, worden de in artikel 138, tweede lid, van de wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, zoals ingevoegd bij artikel 16, en de in artikelen 19, 20 en 21, tweede en derde lid, vermelde data verlengd met hetzelfde aantal maanden als het aantal maanden waarmee de inwerkingtreding van deze wet wordt uitgesteld.”.
(**) Artikel 20, van de wet van 12.03.2023 ( B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) bepaalt:
“Alle bedragen die op de debetzijde van de rekeningen-courant zijn ingeschreven in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van deze wet [01.01.2024], met uitzondering van de bedragen die aan de belastingplichtigen worden teruggegeven, worden opgenomen in het innings- en invorderingsregister vanaf 1 februari 2024, overeenkomstig artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.”.
(***) Het minimumbedrag van de in artikel 85, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingschuld die aanleiding kan geven tot invordering bedraagt 2,50 euro. (Art. 30, KB 17.12.2024, B.S. 24.12.2024, pg. 141374, Numac : 2024011600). Dit KB treedt in werking op 01.02.2025 (Art. 32, KB 17.12.2024)
