Artikel 91, Wetboek van de Btw
Art. 91, met ingang van 20.02.2026 (Art.14, W. 10.02.2026, B.S. 20.02.2026, Numac: 2026001291)
§ 1. Een nalatigheidsinterest, aan de rentevoet zoals bepaald overeenkomstig het tweede lid, is van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet voldaan is:
1° binnen de termijn die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, § 1, eerste lid, 3°, 53ter, 2°, en 53octies is gesteld;
2° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 53nonies is gesteld;
3° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 54 is gesteld, voor de belastingplichtigen bedoeld in artikel 8;
4° binnen de termijn vastgesteld in de artikelen 58ter, § 6, vierde lid, 58quater, § 6, negende lid, 58quinquies, § 6, vierde lid, en 58sexies, § 3, tweede lid, en in uitvoering van de artikelen 367, eerste lid, 369decies, eerste lid, en 369tervicies, eerste lid, van de Richtlijn 2006/112/EG.
De rentevoet van de nalatigheidsinterest stemt overeen met deze bepaald overeenkomstig artikel 2, § 2/1, eerste lid, 1°, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, verhoogd met 4 procentpunten.
Deze nalatigheidsinterest wordt maandelijks berekend over het totaal van de verschuldigde belastingen, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Elk gedeelte van een maand wordt als een volle maand gerekend.
De nalatigheidsinterest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 5 euro bereikt.
§ 2. Wanneer de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting werd voldaan over een ontoereikende maatstaf, is een nalatigheidsinterest van rechtswege verschuldigd te rekenen vanaf de kennisgeving van de vordering tot schatting; die nalatigheidsinterest wordt op de in paragraaf 1, tweede tot vierde lid, bepaalde wijze berekend.
§ 3. Een nalatigheidsinterest, tegen de rentevoet zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, is verschuldigd over de in te vorderen belastingen die niet bedoeld zijn in de paragrafen 1 en 2, alsmede over de in te vorderen boeten, te rekenen vanaf:
1° de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister wanneer de sommen in een innings- en invorderingsregister opgenomen zijn overeenkomstig artikel 85;
2° de kennisgeving of de betekening van een dwangbevel wanneer de sommen werden opgenomen in een dwangbevel dat eerder dan 1 april 2019 werd kennisgegeven of betekend;
3° het ogenblik waarop de gerechtelijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van deze sommen in kracht van gewijsde is getreden in de andere gevallen.
Deze nalatigheidsinterest wordt maandelijks berekend over het totaal van de verschuldigde sommen, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Elk gedeelte van een maand wordt als een volle maand gerekend.
De nalatigheidsinterest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 5 euro bereikt.
§ 4. Een moratoriuminterest tegen de rentevoet zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, verminderd met twee procentpunten, is van rechtswege verschuldigd over de belastingen die moeten worden teruggegeven:
1° krachtens artikel 76, § 1, eerste en derde lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de in deze bepaling bepaalde termijn of de termijn die in uitvoering van artikel 76, § 1, derde lid, is voorzien;
1°/1. krachtens artikel 76, § 2, eerste en tweede lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn die in uitvoering van art. 76, § 2, tweede lid, is voorzien;
2° krachtens artikel 76, § 3, derde lid, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de termijnen voorzien in uitvoering van deze bepaling.
Deze moratoriuminterest wordt maandelijks berekend over het totaal van de terug te geven belastingen bedoeld in het eerste lid, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Elk gedeelte van een maand wordt als een volle maand gerekend.
De moratoriuminterest van een maand is slechts verschuldigd indien deze 5 euro bereikt.
Er is echter geen moratoriuminterest verschuldigd:
1° voor de periode vanaf het tijdstip dat de terug te geven belasting het voorwerp uitmaakt van een in artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, of § 2, derde lid, 3°, bedoelde inhouding uiterlijk tot op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de belastingplichtige de in artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, of § 2, derde lid, 3°, bedoelde gegevens heeft meegedeeld;
2° wanneer de administratie niet over de noodzakelijke gegevens beschikt om de terug te betalen sommen te vereffenen overeenkomstig het eerste lid, 1°, voor de periode vanaf het tijdstip waarop de sommen hadden moeten zijn uitbetaald indien de administratie over de voormelde gegevens had beschikt, tot het einde van de maand volgend op de maand waarin die noodzakelijke gegevens aan de administratie zijn meegedeeld.
§ 5. Een moratoriuminterest tegen de rentevoet bepaald in paragraaf 1, tweede lid, verminderd met twee procentpunten, is verschuldigd over de terug te geven belastingen die niet bedoeld worden in paragraaf 4, alsmede over de terug te betalen boeten, vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de administratie in gebreke werd gesteld door aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte. Wanneer de betaling van de terug te betalen bedragen gebeurt na de ingebrekestelling, is de moratoriuminterest verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de werkelijke betaling.
Deze moratoriuminterest wordt maandelijks berekend op het bedrag van elke betaling afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Elk gedeelte van een maand wordt als een gehele volle maand gerekend.
De moratoriuminterest van een maand is slechts verschuldigd indien deze 5 euro bereikt.
Er is echter geen moratoriuminterest verschuldigd wanneer:
1° de teruggave voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een geldboete, verleend bij wijze van genade;
2° de belasting waarvan de teruggaaf het voorwerp uitmaakt van de in het eerste lid bedoelde ingebrekestelling, het voorwerp uitmaakt van een in artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, bedoelde inhouding, voor de periode vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze ingebrekestelling uiterlijk tot op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de belastingplichtige de in artikel 76, § 1, zesde lid, 3°, bedoelde gegevens heeft meegedeeld;
3° de administratie niet over de noodzakelijke gegevens beschikt om de terug te betalen sommen te vereffenen overeenkomstig het eerste lid en deze gegevens door haar niet met redelijke inspanningen kunnen worden verkregen, voor de periode vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de sommen hadden moeten zijn uitbetaald op grond van een ingebrekestelling van de administratie indien zij over de noodzakelijke gegevens had beschikt, tot het einde van de maand volgend op de maand waarin de noodzakelijke gegevens om de terug te betalen sommen te vereffenen aan de administratie zijn meegedeeld.
