Artikel 91, Wetboek van de Btw
(De tekst van art. 91, § 1, eerste lid, 4°, werd vervangen met ingang van 10.01.2022 (Art. 30, W 27.12.2021, B.S. 31.12.2021 - Ed. 2, pg. 127779, Numac: 2021034489))
§ 1. Een nalatigheidsinterest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet voldaan is :
1° binnen de termijn die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, § 1, eerste lid, 3°, 53ter, 2° en 53octies, is gesteld;
2° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 53nonies is gesteld;
3° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 54 is gesteld, voor de belastingplichtigen bedoeld in artikel 8.
4° binnen de termijn vastgesteld in de artikelen 58ter, § 6, vierde lid, 58quater, § 6, negende lid, 58quinquies, § 6, vierde lid en 58sexies, § 3, tweede lid en in uitvoering van de artikelen 367, eerste lid, 369decies, eerste lid en 369tervicies, eerste lid, van de Richtlijn 2006/112/EG.
De nalatigheidsinterest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.
De nalatigheidsinterest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 5 euro bereikt.
§ 2. Wanneer de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting werd voldaan over een ontoereikende maatstaf, is van rechtswege een nalatigheidsinterest van 0,8 pct. per maand verschuldigd te rekenen vanaf de inleidende daad van de procedure; die interest wordt op de in § 1 bepaalde wijze berekend.
§ 2bis. Een nalatigheidsinterest, berekend tegen de wettelijke rentevoet vastgesteld in fiscale zaken, is van rechtswege eisbaar op de in te vorderen sommen die niet bedoeld zijn in de paragrafen 1 en 2 te rekenen vanaf:
1° de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister wanneer de sommen in een innings- en invorderingsregister opgenomen zijn overeenkomstig artikel 85;
2° het ogenblik waarop de gerechtelijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van deze sommen in kracht van gewijsde is getreden in de andere gevallen.
Deze nalatigheidsinterest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde sommen, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.
De nalatigheidsinterest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 5 euro bereikt.
§ 3. Een moratoriuminterest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd over de sommen die moeten worden teruggegeven :
1° met toepassing van artikel 76, § 1, eerste en derde lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de in deze bepaling bepaalde termijn.
De moratoriuminterest wordt om de maand berekend over het totaal van de terug te geven belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.
De moratoriuminterest van een maand is slechts verschuldigd indien hij 5 euro bereikt;
2° met toepassing van de bepalingen van de Richtlijn 2008/9/EG van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, vanaf het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 22, paragraaf 1, van deze richtlijn. Er is evenwel geen enkele moratoriuminterest verschuldigd wanneer de belastingplichtige zijn verplichting de op basis van de artikelen 10 en 20, paragraaf 1, van de voornoemde richtlijn geëiste aanvullende informatie te verstrekken niet voldaan heeft binnen de termijn bepaald bij artikel 20, paragraaf 2, van deze richtlijn.
De moratoriuminterest wordt om de maand berekend over het totaal van de terug te geven belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.
De moratoriuminterest van een maand is slechts verschuldigd indien hij 5 euro bereikt.
§ 4. De moratoriuminterest over terug te geven sommen die niet in paragraaf 3 zijn bedoeld, is verschuldigd tegen de wettelijke rentevoet vastgesteld in fiscale zaken en volgens de regels geldende in burgerlijke zaken.
§ 5. De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, de in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde interestvoeten aanpassen.
