Artikel 1:16, WVV

Art. 1:16.§ 1. Om de controlebevoegdheid vast te stellen:
  1° wordt de onrechtstreekse bevoegdheid via een dochtervennootschap bij de rechtstreekse bevoegdheid geteld;
  2° wordt de bevoegdheid van een persoon die optreedt als tussenpersoon van een andere persoon, geacht uitsluitend in het bezit te zijn van laatstgenoemde.
  Om de controlebevoegdheid vast te stellen wordt geen rekening gehouden met een schorsing van het stemrecht, noch met de stemrechtbeperkingen bedoeld in dit wetboek of in wettelijke of statutaire bepalingen met een soortgelijke uitwerking.
  Voor de toepassing van artikel 1:14, § 2, 1° en 4°, moeten de stemrechten verbonden aan het totaal van de [1 aandelen of andere effecten]1 van een dochtervennootschap worden verminderd met de stemrechten verbonden aan de [1 aandelen of andere effecten]1 van deze dochtervennootschap, gehouden door laatstgenoemde zelf of door haar dochtervennootschap. Dezelfde regel is van toepassing in het in artikel 1:14, § 3, tweede lid, bedoelde geval, wat de [1 aandelen of andere effecten]1 betreft die op de laatste twee algemene vergaderingen zijn vertegenwoordigd.
  § 2. Onder "tussenpersoon" wordt verstaan, elke persoon die optreedt krachtens een overeenkomst van lastgeving, commissie, portage, naamlening, fiducie of een overeenkomst met een gelijkwaardige uitwerking, voor rekening van een andere persoon.
  ----------
  (1)<W 2020-04-28/06, art. 45, 002; Inwerkingtreding : 06-05-2020>

  
Bron: Justel