Artikel 7:84, WVV

Art. 7:84. § 1. Indien de krachtens artikel 7:83 vereiste kennisgevingen niet werden verricht volgens de modaliteiten en binnen de termijnen zoals voorgeschreven, kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vennootschap, recht doende als in kort geding:
  1° de uitoefening van alle of een deel van de aan de betrokken effecten verbonden rechten voor een periode van ten hoogste één jaar schorsen;
  2° gedurende de termijn die hij vaststelt, een reeds bijeengeroepen algemene vergadering opschorten;
  3° onder zijn toezicht de verkoop van de bewuste effecten aan een derde, die niet met de huidige aandeelhouder verbonden is, bevelen binnen een termijn die hij vaststelt en die kan worden verlengd.
  § 2. De procedure wordt ingesteld door een dagvaarding uitgaande van de vennootschap of uitgaande van één of meer stemgerechtigde aandeelhouders. Wanneer het voorwerp van de vraag de opschorting van een reeds bijeengeroepen algemene vergadering betreft, kan ook de persoon wiens effecten het voorwerp zijn van een vraag of beslissing tot opschorting van alle of een deel van de aan de betrokken effecten verbonden rechten de procedure instellen.
  Wanneer het voorwerp van de vordering de schorsing betreft, overeenkomstig het eerste lid, 1°, van alle of een deel van de rechten verbonden aan de betrokken effecten, moet zij, indien een kennisgeving is verricht, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk vijftien dagen na de betekening van de kennisgeving worden ingediend.
  § 3. De voorzitter doet uitspraak niettegenstaande elke vordering uitgeoefend om reden van dezelfde feiten voor een ander rechtscollege.
  De voorzitter kan de opheffing van de door hem bevolen maatregelen toestaan op vraag van één der belanghebbenden en na de personen die de zaak bij hem aanhangig hebben gemaakt alsook de vennootschap te hebben gehoord.

  
Bron: Justel