Artikel 2:114, WVV

Art. 2:114.§ 1. Alleen de rechtbank van het arrondissement waar de stichting haar zetel heeft, kan op verzoek van een stichter of van een van zijn rechthebbenden, van één of meer bestuurders, van een belanghebbende derde of van het openbaar ministerie de ontbinding uitspreken van een stichting:
  1° waarvan het doel of het voorwerp is verwezenlijkt;
  2° die niet meer in staat is het doel of het voorwerp na te streven waarvoor zij is opgericht;
  3° die haar vermogen of de inkomsten uit dat vermogen voor een ander doel aanwendt dan het doel waarvoor zij is opgericht;
  4° die het verbod op uitkering of bezorging van enig rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel als bedoeld in artikel 1:3 schendt, of in strijd handelt met dit wetboek of de openbare orde, of in ernstige mate in strijd handelt met haar statuten;
  5° die [1 ...]1 niet heeft voldaan aan de verplichting om een jaarrekening neer te leggen overeenkomstig artikel 2:11, § 1, 8°, tenzij de ontbrekende jaarrekeningen worden neergelegd voor de sluiting van de debatten;
  6° waarvan de duur ten einde is gekomen;
  7° waarvan de uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde vervat in de statuten zich heeft vervuld.
  § 2. In geval van paragraaf 1, 5°, kan de rechtbank ook worden gevat na verwijzing door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden krachtens artikel XX.29 van het Wetboek van economisch recht. In dat geval roept de griffie de stichting op per gerechtsbrief die de tekst van dit artikel weergeeft.
  De vordering tot ontbinding bedoeld in paragraaf 1, 5°, kan slechts worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van zeven maanden te rekenen van de datum van afsluiting van het [1 ...]1 boekjaar.
  § 3. De rechtbank die de ontbinding uitspreekt, kan hetzij tot de onmiddellijke sluiting van de vereffening beslissen, hetzij één of meer vereffenaars aanwijzen. In dit laatste geval bepaalt de rechtbank de bevoegdheden van de vereffenaars en de vereffeningswijze.
  [2 De rechtbank beveelt de onmiddellijke sluiting van de vereffening in de gevallen bedoeld in artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht.]2
  [1 § 3/1. Het vonnis dat de gerechtelijke ontbinding uitspreekt van een stichting is vatbaar voor verzet door de verstekdoende partij.
   Het verzet is slechts ontvankelijk indien het wordt gedaan binnen een maand na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de gerechtelijke ontbinding door de griffie.
   De termijn om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, is een maand te rekenen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de gerechtelijke ontbinding door de griffie.
   Hoger beroep, verzet of derdenverzet tegen het vonnis dat de gerechtelijke ontbinding uitspreekt of afwijst, wordt zonder verwijl in staat gesteld.
   Indien het aangevochten vonnis een vereffenaar heeft aangewezen, dient deze in de zaak te worden betrokken voor het sluiten van de debatten.
   Op verzoek van de meest gerede partij wordt de zaak vastgesteld om gepleit te worden binnen één maand volgend op het verzoek tot bepaling van de rechtsdag.]1
  § 4. De rechtbank kan de vernietiging van de verrichting bedoeld in paragraaf 1, 3°, uitspreken, ook indien zij de vordering tot ontbinding afwijst.
  ----------
  (1)<W 2020-04-28/06, art. 68, 002; Inwerkingtreding : 06-05-2020>
  (2)<W 2023-06-07/07, art. 269, 014; Inwerkingtreding : 01-09-2023>

  
Bron: Justel