Artikel 3:34/1, WVV
Art. 3:34/1. [1 § 1. De uiteindelijke moedervennootschap waarvan het totaal van de geconsolideerde inkomsten op de balansdatum voor elk van de laatste twee opeenvolgende boekjaren blijkens de geconsolideerde jaarrekeningen meer bedragen dan 750.000.000 euro stelt een verslag inzake informatie over de inkomstenbelasting op. De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van dit verslag.
De uiteindelijke moedervennootschap is niet langer aan de verplichting bedoeld in het eerste lid onderworpen wanneer het totaal van de geconsolideerde inkomsten op de balansdatum voor elk van de laatste twee opeenvolgende boekjaren blijkens de geconsolideerde jaarrekeningen het grensbedrag van 750.000.000 euro niet meer heeft overschreden.
Voor moedervennootschappen die voor het opstellen van de geconsolideerde jaarrekeningen de internationale standaarden voor jaarrekeningen niet toepassen worden met "inkomsten" in het eerste en het tweede lid de "netto-omzet" bedoeld.
Voor moedervennootschappen die de geconsolideerde jaarrekeningen op basis van de internationale standaarden voor jaarrekeningen opstellen, worden in het eerste en het tweede lid met "inkomsten" bedoeld de opbrengsten gedefinieerd in de zin van het stelsel voor financiële verslaglegging vastgelegd bij Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de vaststelling van internationale standaarden voor jaarrekeningen.
De uiteindelijke moedervennootschap is niet aan de in het eerste lid bedoelde verplichting onderworpen in de volgende gevallen:
1° wanneer de vennootschap, met inbegrip van haar dochtervennootschappen, verbonden ondernemingen, bijkantoren, en van haar vaste inrichtingen bedoeld in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, enkel onderworpen is aan het Belgische stelsel van inkomstenbelasting en derhalve geen belastingplichtige van een andere fiscale jurisdictie is;
2° wanneer de uiteindelijke moedervennootschap, of een van de met die vennootschap verbonden vennootschappen, een kredietinstelling is als bedoeld in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, en een verslag inzake informatie over de inkomstenbelasting met toepassing van artikel 106, § 1, tweede lid, van voormelde wet en haar uitvoeringsbesluiten heeft opgesteld en openbaar gemaakt;
3° wanneer de uiteindelijke moedervennootschap, of een van de met die vennootschap verbonden vennootschappen, een beursvennootschap is als bedoeld in de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, en een verslag inzake informatie over de inkomstenbelasting met toepassing van artikel 109, § 1, tweede lid, van voormelde wet en haar uitvoeringsbesluiten heeft opgesteld en openbaar gemaakt.
§ 2. De Koning kan het in paragraaf 1 vermelde cijfer wijzigen, na overleg in de Ministerraad en na advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2024-01-08/03, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 05-02-2024>
De uiteindelijke moedervennootschap is niet langer aan de verplichting bedoeld in het eerste lid onderworpen wanneer het totaal van de geconsolideerde inkomsten op de balansdatum voor elk van de laatste twee opeenvolgende boekjaren blijkens de geconsolideerde jaarrekeningen het grensbedrag van 750.000.000 euro niet meer heeft overschreden.
Voor moedervennootschappen die voor het opstellen van de geconsolideerde jaarrekeningen de internationale standaarden voor jaarrekeningen niet toepassen worden met "inkomsten" in het eerste en het tweede lid de "netto-omzet" bedoeld.
Voor moedervennootschappen die de geconsolideerde jaarrekeningen op basis van de internationale standaarden voor jaarrekeningen opstellen, worden in het eerste en het tweede lid met "inkomsten" bedoeld de opbrengsten gedefinieerd in de zin van het stelsel voor financiële verslaglegging vastgelegd bij Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de vaststelling van internationale standaarden voor jaarrekeningen.
De uiteindelijke moedervennootschap is niet aan de in het eerste lid bedoelde verplichting onderworpen in de volgende gevallen:
1° wanneer de vennootschap, met inbegrip van haar dochtervennootschappen, verbonden ondernemingen, bijkantoren, en van haar vaste inrichtingen bedoeld in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, enkel onderworpen is aan het Belgische stelsel van inkomstenbelasting en derhalve geen belastingplichtige van een andere fiscale jurisdictie is;
2° wanneer de uiteindelijke moedervennootschap, of een van de met die vennootschap verbonden vennootschappen, een kredietinstelling is als bedoeld in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, en een verslag inzake informatie over de inkomstenbelasting met toepassing van artikel 106, § 1, tweede lid, van voormelde wet en haar uitvoeringsbesluiten heeft opgesteld en openbaar gemaakt;
3° wanneer de uiteindelijke moedervennootschap, of een van de met die vennootschap verbonden vennootschappen, een beursvennootschap is als bedoeld in de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, en een verslag inzake informatie over de inkomstenbelasting met toepassing van artikel 109, § 1, tweede lid, van voormelde wet en haar uitvoeringsbesluiten heeft opgesteld en openbaar gemaakt.
§ 2. De Koning kan het in paragraaf 1 vermelde cijfer wijzigen, na overleg in de Ministerraad en na advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2024-01-08/03, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 05-02-2024>
Bron: Justel
