Artikel 3:6/9, WVV
Art. 3:6/9. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing op Belgische vennootschappen bedoeld in artikel 3:6/1, § 1, eerste en tweede lid, en die bovendien een dochtervennootschap zijn van een uiteindelijke moederonderneming vallende onder het recht van een derde land of van een dochteronderneming die deel uitmaakt van een groep met een uiteindelijke moederonderneming van een derde land.
§ 2. Het bestuursorgaan van een in paragraaf 1 bedoelde dochtervennootschap maakt de netto-omzet van zijn uiteindelijke moederonderneming openbaar, als volgt:
1° berekend op geconsolideerde basis op de datum van afsluiting van het boekjaar, de netto-omzet behaald in België;
2° berekend op geconsolideerde basis op de datum van afsluiting van het boekjaar, de netto-omzet behaald door economische activiteiten in de lidstaten.
§ 3. Het bestuursorgaan van een in paragraaf 1 bedoelde dochtervennootschap maakt op het niveau van de groep een verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie van die uiteindelijke moederonderneming van een derde land openbaar. Deze specifieke duurzaamheidsinformatie op het niveau van de groep van de uiteindelijke moederonderneming omvat de informatie bedoeld in artikel 3:32/3, § 1, 1°, c) tot e), 2° tot 8°, en in voorkomend geval, 10°.
Het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land wordt opgesteld volgens een van de volgende standaarden:
1° de standaarden van specifieke duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie heeft aangenomen volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 40ter van Richtlijn 2013/34/EU;
2° de standaarden voor duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie vaststelt volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 29ter van Richtlijn 2013/34/EU;
3° of op een wijze die gelijkwaardig is aan de standaarden van duurzaamheidsinformatie, bedoeld in 1° en 2°, op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG.
§ 4. Is de specifieke duurzaamheidsinformatie van uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet beschikbaar, dan verzoekt het bestuursorgaan van de dochtervennootschap de uiteindelijke moederonderneming alle vereiste duurzaamheidsinformatie te verstrekken om hem in staat te stellen aan de in paragraaf 2 bedoelde verplichtingen te voldoen.
Verstrekt de uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet alle vereiste duurzaamheidsinformatie, dan stelt het bestuursorgaan van de betrokken dochtervennootschap de vereiste duurzaamheidsinformatie op. De betrokken dochtervennootschap brengt in haar jaarverslag een verklaring uit waaruit blijkt dat de uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet de nodige informatie heeft verstrekt.
Bovendien verzoekt het bestuursorgaan van de dochtervennootschap zijn uiteindelijke moederonderneming van een derde land hem het assuranceoordeel over de specifieke duurzaamheidsinformatie, uitgebracht door een of meer personen of ondernemingen die uit hoofde van het nationaal recht van de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land, of uit hoofde van het nationaal recht van een lidstaat, of Belgisch recht, gerechtigd zijn een assuranceoordeel van de specifieke duurzaamheidsinformatie af te geven, over te maken.
Indien de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land het assuranceoordeel niet overeenkomstig het derde lid verstrekt, geeft de dochteronderneming een verklaring af waaruit blijkt dat de onderneming uit het derde land het benodigde assuranceoordeel niet ter beschikking heeft gesteld.
§ 5. Het bestuursorgaan van de dochtervennootschap legt binnen zeven maanden na datum van afsluiting van het boekjaar de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land, vergezeld van het bijhorende assuranceoordeel, neer bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.
De dochtervennootschap legt het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land neer in de taal of in één van de officiële talen van het taalgebied waar de zetel van de dochtervennootschap is gevestigd.
Diezelfde dochtervennootschap mag daarenboven het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land in een of meer andere officiële talen van de Europese Unie vertalen en het als vertaling neerleggen.
§ 6. Zijn vrijgesteld van de openbaarmaking van het verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie bedoeld in paragraaf 3:
1° de dochtervennootschap van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land, wanneer de netto-omzet van die moederonderneming, bepaald in paragraaf 2, gedurende twee opeenvolgende boekjaren het grensbedrag van 150 miljoen euro niet heeft overschreden;
2° de dochtervennootschap van een uiteindelijke moederonderneming van een derde land waarvan een dochteronderneming van een andere lidstaat, met een hogere netto-omzet, en die behoort tot de groep, reeds het verslag van de specifieke duurzaamheidsinformatie van die uiteindelijke moederonderneming heeft openbaar gemaakt volgens de regelgeving van die andere lidstaat.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2024-12-02/07, art. 21, 024; Inwerkingtreding : 30-12-2024>
§ 2. Het bestuursorgaan van een in paragraaf 1 bedoelde dochtervennootschap maakt de netto-omzet van zijn uiteindelijke moederonderneming openbaar, als volgt:
1° berekend op geconsolideerde basis op de datum van afsluiting van het boekjaar, de netto-omzet behaald in België;
2° berekend op geconsolideerde basis op de datum van afsluiting van het boekjaar, de netto-omzet behaald door economische activiteiten in de lidstaten.
§ 3. Het bestuursorgaan van een in paragraaf 1 bedoelde dochtervennootschap maakt op het niveau van de groep een verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie van die uiteindelijke moederonderneming van een derde land openbaar. Deze specifieke duurzaamheidsinformatie op het niveau van de groep van de uiteindelijke moederonderneming omvat de informatie bedoeld in artikel 3:32/3, § 1, 1°, c) tot e), 2° tot 8°, en in voorkomend geval, 10°.
Het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land wordt opgesteld volgens een van de volgende standaarden:
1° de standaarden van specifieke duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie heeft aangenomen volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 40ter van Richtlijn 2013/34/EU;
2° de standaarden voor duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie vaststelt volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 29ter van Richtlijn 2013/34/EU;
3° of op een wijze die gelijkwaardig is aan de standaarden van duurzaamheidsinformatie, bedoeld in 1° en 2°, op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG.
§ 4. Is de specifieke duurzaamheidsinformatie van uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet beschikbaar, dan verzoekt het bestuursorgaan van de dochtervennootschap de uiteindelijke moederonderneming alle vereiste duurzaamheidsinformatie te verstrekken om hem in staat te stellen aan de in paragraaf 2 bedoelde verplichtingen te voldoen.
Verstrekt de uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet alle vereiste duurzaamheidsinformatie, dan stelt het bestuursorgaan van de betrokken dochtervennootschap de vereiste duurzaamheidsinformatie op. De betrokken dochtervennootschap brengt in haar jaarverslag een verklaring uit waaruit blijkt dat de uiteindelijke moederonderneming van een derde land niet de nodige informatie heeft verstrekt.
Bovendien verzoekt het bestuursorgaan van de dochtervennootschap zijn uiteindelijke moederonderneming van een derde land hem het assuranceoordeel over de specifieke duurzaamheidsinformatie, uitgebracht door een of meer personen of ondernemingen die uit hoofde van het nationaal recht van de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land, of uit hoofde van het nationaal recht van een lidstaat, of Belgisch recht, gerechtigd zijn een assuranceoordeel van de specifieke duurzaamheidsinformatie af te geven, over te maken.
Indien de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land het assuranceoordeel niet overeenkomstig het derde lid verstrekt, geeft de dochteronderneming een verklaring af waaruit blijkt dat de onderneming uit het derde land het benodigde assuranceoordeel niet ter beschikking heeft gesteld.
§ 5. Het bestuursorgaan van de dochtervennootschap legt binnen zeven maanden na datum van afsluiting van het boekjaar de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land, vergezeld van het bijhorende assuranceoordeel, neer bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.
De dochtervennootschap legt het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land neer in de taal of in één van de officiële talen van het taalgebied waar de zetel van de dochtervennootschap is gevestigd.
Diezelfde dochtervennootschap mag daarenboven het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land in een of meer andere officiële talen van de Europese Unie vertalen en het als vertaling neerleggen.
§ 6. Zijn vrijgesteld van de openbaarmaking van het verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie bedoeld in paragraaf 3:
1° de dochtervennootschap van de uiteindelijke moederonderneming van een derde land, wanneer de netto-omzet van die moederonderneming, bepaald in paragraaf 2, gedurende twee opeenvolgende boekjaren het grensbedrag van 150 miljoen euro niet heeft overschreden;
2° de dochtervennootschap van een uiteindelijke moederonderneming van een derde land waarvan een dochteronderneming van een andere lidstaat, met een hogere netto-omzet, en die behoort tot de groep, reeds het verslag van de specifieke duurzaamheidsinformatie van die uiteindelijke moederonderneming heeft openbaar gemaakt volgens de regelgeving van die andere lidstaat.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2024-12-02/07, art. 21, 024; Inwerkingtreding : 30-12-2024>
Bron: Justel
