Artikel 1:8, WVV
Art. 1:8. § 1. De inbreng is de handeling waarbij een persoon iets ter beschikking stelt van een op te richten of een bestaande vennootschap, met het oogmerk vennoot ervan te worden of zijn aandeel in de vennootschap te vergroten, en derhalve deel te nemen in de winst.
§ 2. De inbreng in geld is de inbreng van een geldsom.
De inbreng in natura is de inbreng van enig ander lichamelijk of onlichamelijk goed.
De inbreng in nijverheid is een verbintenis om arbeid of diensten te presteren. Hij vormt een inbreng in natura.
§ 3. De inbreng in geld of in natura kan in eigendom of in genot gebeuren.
Hij gebeurt in eigendom wanneer de eigendom van de goederen wordt overgedragen aan de vennootschap met of zonder rechtspersoonlijkheid.
Hij gebeurt in genot wanneer hij enkel ter beschikking wordt gesteld van de vennootschap zodat zij ervan gebruik kan maken en de opbrengst ervan kan genieten.
§ 2. De inbreng in geld is de inbreng van een geldsom.
De inbreng in natura is de inbreng van enig ander lichamelijk of onlichamelijk goed.
De inbreng in nijverheid is een verbintenis om arbeid of diensten te presteren. Hij vormt een inbreng in natura.
§ 3. De inbreng in geld of in natura kan in eigendom of in genot gebeuren.
Hij gebeurt in eigendom wanneer de eigendom van de goederen wordt overgedragen aan de vennootschap met of zonder rechtspersoonlijkheid.
Hij gebeurt in genot wanneer hij enkel ter beschikking wordt gesteld van de vennootschap zodat zij ervan gebruik kan maken en de opbrengst ervan kan genieten.
Bron: Justel
