Artikel 3:20/5, WVV
Art. 3:20/5. [1 § 1. De uiteindelijke moederonderneming, of diens vertegenwoordiger van het in artikel 3:20/4 bedoelde bijkantoor, maakt een verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land openbaar.
Deze specifieke duurzaamheidsinformatie omvat de informatie bedoeld in artikel 3:32/3, § 1, 1°, c) tot e), 2° tot 8°, en in voorkomend geval, 10°. Is het bijkantoor geopend door een op zichzelf staande onderneming van een derde land, dan gebeurt de verslaglegging van de specifieke duurzaamheidsinformatie op individuele basis. Heeft de specifieke duurzaamheidsinformatie betrekking op de uiteindelijke moederonderneming van een derde land, dan gebeurt de verslaglegging op het niveau van de groep.
§ 2. Zijn vrijgesteld van de openbaarmaking van het verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid:
1° het bijkantoor van een onderneming van een derde land die gedurende de laatste twee opeenvolgende boekjaren in de lidstaten, haar netto-omzet op groepsniveau of indien niet van toepassing, op individueel niveau, gedefinieerd in artikel 3:20/4, tweede lid, 2°, het grensbedrag van 150 miljoen euro, niet heeft overschreden;
2° het bijkantoor dat een jaarlijkse netto-omzet van minder dan 40 miljoen euro, te rekenen op basis van het laatst afgesloten boekjaar behaalt;
3° het bijkantoor van een uiteindelijke moederonderneming van een derde land waarvan de dochtervennootschap reeds het verslag van de specifieke duurzaamheidsinformatie van die uiteindelijke moederonderneming heeft openbaar gemaakt.
§ 3. Het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de moederonderneming van een derde land wordt opgesteld volgens een van de volgende standaarden:
1° de standaarden van specifieke duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie heeft aangenomen volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 40ter van Richtlijn 2013/34/EU;
2° de standaarden voor duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie vaststelt volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 29ter van Richtlijn 2013/34/EU;
3° of op een wijze die gelijkwaardig is aan de standaarden van duurzaamheidsinformatie, bedoeld in 1° en 2°, op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG.
§ 4. Is de specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land niet beschikbaar, dan verzoekt de vertegenwoordiger van het bijkantoor de onderneming van een derde land alle vereiste duurzaamheidsinformatie te verstrekken om hem in staat te stellen aan de in dit artikel bedoelde verplichtingen te voldoen.
Verstrekt de onderneming van een derde land niet alle vereiste duurzaamheidsinformatie, dan stelt de vertegenwoordiger van het bijkantoor het verslag over de vereiste specifieke duurzaamheidsinformatie op. Het bijkantoor brengt een verklaring uit waaruit blijkt dat de onderneming van een derde land niet de nodige informatie heeft verstrekt.
Bovendien verzoekt de vertegenwoordiger van het bijkantoor de onderneming van het derde land hem het assuranceoordeel over de specifieke duurzaamheidsinformatie, uitgebracht door een of meer personen of ondernemingen die uit hoofde van het nationaal recht van de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land, of uit hoofde van het nationaal recht van een lidstaat, of Belgisch recht, gerechtigd zijn een oordeel over de assurance van de specifieke duurzaamheidsinformatie af te geven, over te maken.
Indien de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land het assuranceoordeel niet overeenkomstig het derde lid verstrekt, geeft het bijkantoor een verklaring af waaruit blijkt dat de onderneming uit het derde land het benodigde assuranceoordeel niet ter beschikking heeft gesteld.
§ 5. De vertegenwoordiger van het bijkantoor legt binnen zeven maanden na datum van afsluiting van het boekjaar het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land, vergezeld van het bijhorende assuranceoordeel, neer bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.
Het bijkantoor legt het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land neer in de taal of in één van de officiële talen van het taalgebied waar het bijkantoor is gevestigd.
Hetzelfde bijkantoor mag daarenboven het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land in een of meer andere officiële talen van de Europese Unie vertalen en het als vertaling neerleggen.
§ 6. De Koning kan nadere regels voor het opstellen en het openbaar maken van specifieke duurzaamheidsinformatie van een onderneming van een derde land vaststellen, met inbegrip van de assurance van deze specifieke duurzaamheidsinformatie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2024-12-02/07, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 30-12-2024>
Deze specifieke duurzaamheidsinformatie omvat de informatie bedoeld in artikel 3:32/3, § 1, 1°, c) tot e), 2° tot 8°, en in voorkomend geval, 10°. Is het bijkantoor geopend door een op zichzelf staande onderneming van een derde land, dan gebeurt de verslaglegging van de specifieke duurzaamheidsinformatie op individuele basis. Heeft de specifieke duurzaamheidsinformatie betrekking op de uiteindelijke moederonderneming van een derde land, dan gebeurt de verslaglegging op het niveau van de groep.
§ 2. Zijn vrijgesteld van de openbaarmaking van het verslag over specifieke duurzaamheidsinformatie bedoeld in paragraaf 1, eerste lid:
1° het bijkantoor van een onderneming van een derde land die gedurende de laatste twee opeenvolgende boekjaren in de lidstaten, haar netto-omzet op groepsniveau of indien niet van toepassing, op individueel niveau, gedefinieerd in artikel 3:20/4, tweede lid, 2°, het grensbedrag van 150 miljoen euro, niet heeft overschreden;
2° het bijkantoor dat een jaarlijkse netto-omzet van minder dan 40 miljoen euro, te rekenen op basis van het laatst afgesloten boekjaar behaalt;
3° het bijkantoor van een uiteindelijke moederonderneming van een derde land waarvan de dochtervennootschap reeds het verslag van de specifieke duurzaamheidsinformatie van die uiteindelijke moederonderneming heeft openbaar gemaakt.
§ 3. Het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de moederonderneming van een derde land wordt opgesteld volgens een van de volgende standaarden:
1° de standaarden van specifieke duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie heeft aangenomen volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 40ter van Richtlijn 2013/34/EU;
2° de standaarden voor duurzaamheidsinformatie die de Europese Commissie vaststelt volgens de uitvoeringsverordening tot uitvoering van artikel 29ter van Richtlijn 2013/34/EU;
3° of op een wijze die gelijkwaardig is aan de standaarden van duurzaamheidsinformatie, bedoeld in 1° en 2°, op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG.
§ 4. Is de specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land niet beschikbaar, dan verzoekt de vertegenwoordiger van het bijkantoor de onderneming van een derde land alle vereiste duurzaamheidsinformatie te verstrekken om hem in staat te stellen aan de in dit artikel bedoelde verplichtingen te voldoen.
Verstrekt de onderneming van een derde land niet alle vereiste duurzaamheidsinformatie, dan stelt de vertegenwoordiger van het bijkantoor het verslag over de vereiste specifieke duurzaamheidsinformatie op. Het bijkantoor brengt een verklaring uit waaruit blijkt dat de onderneming van een derde land niet de nodige informatie heeft verstrekt.
Bovendien verzoekt de vertegenwoordiger van het bijkantoor de onderneming van het derde land hem het assuranceoordeel over de specifieke duurzaamheidsinformatie, uitgebracht door een of meer personen of ondernemingen die uit hoofde van het nationaal recht van de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land, of uit hoofde van het nationaal recht van een lidstaat, of Belgisch recht, gerechtigd zijn een oordeel over de assurance van de specifieke duurzaamheidsinformatie af te geven, over te maken.
Indien de uiteindelijke moederonderneming uit het derde land het assuranceoordeel niet overeenkomstig het derde lid verstrekt, geeft het bijkantoor een verklaring af waaruit blijkt dat de onderneming uit het derde land het benodigde assuranceoordeel niet ter beschikking heeft gesteld.
§ 5. De vertegenwoordiger van het bijkantoor legt binnen zeven maanden na datum van afsluiting van het boekjaar het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land, vergezeld van het bijhorende assuranceoordeel, neer bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.
Het bijkantoor legt het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land neer in de taal of in één van de officiële talen van het taalgebied waar het bijkantoor is gevestigd.
Hetzelfde bijkantoor mag daarenboven het verslag over de specifieke duurzaamheidsinformatie van de onderneming van een derde land in een of meer andere officiële talen van de Europese Unie vertalen en het als vertaling neerleggen.
§ 6. De Koning kan nadere regels voor het opstellen en het openbaar maken van specifieke duurzaamheidsinformatie van een onderneming van een derde land vaststellen, met inbegrip van de assurance van deze specifieke duurzaamheidsinformatie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2024-12-02/07, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 30-12-2024>
Bron: Justel
