Artikel 17:11, WVV

Art. 17:11. § 1. Uiterlijk twee maanden na de bekendmaking van de buitenlandse zetelverplaatsing, kunnen de schuldeisers van de EUPS die tot zetelverplaatsing overgaat en van wie de vordering vaststaand is vóór die bekendmaking maar nog niet opeisbaar is of die voor deze schuldvordering in rechte of via arbitrage een vordering heeft ingesteld vóór die bekendmaking, niettegenstaande enig andersluidend beding, zekerheid eisen.
  De EUPS kan deze eis afweren door de schuldvordering te voldoen tegen haar waarde, na aftrek van het disconto.
  Indien geen overeenstemming wordt bereikt of indien de schuldeiser geen voldoening heeft gekregen, wordt het geschil door de meest gerede partij voorgelegd aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van het rechtsgebied waarbinnen de schuldplichtige EUPS haar zetel heeft. De rechtspleging wordt ingeleid en behandeld in kort geding; hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van de gewezen beslissing. Zonder afbreuk te doen aan de grond van de zaak bepaalt de voorzitter de zekerheid die de EUPS moet stellen en de termijn waarbinnen zulks moet geschieden, tenzij hij beslist dat geen zekerheid moet worden gesteld gelet op de waarborgen en de voorrechten waarover de schuldeiser beschikt of gelet op de solvabiliteit van de betrokken EUPS.
  Indien de zekerheid niet binnen de bepaalde termijn is gesteld, wordt de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar.
  § 2. De doorhaling in België van de oude inschrijving ten gevolge van de verplaatsing van de statutaire zetel naar het buitenland wordt in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  
Bron: Justel