Artikel III.10, WER
Art. III.10. [1 § 1. De aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft een onbeperkte geldigheidsduur, uitgezonderd in de volgende gevallen :
1° de vergunning maakt het voorwerp uit van een systeem van automatische verlenging;
2° de vergunning is alleen afhankelijk van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
3° het aantal beschikbare vergunningen is beperkt omwille van een dwingende reden van algemeen belang;
4° een beperkte duur is gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onverminderd de mogelijkheid om een vergunning in te trekken wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de maximale termijn waarbinnen de dienstverrichter na ontvangst van de vergunning daadwerkelijk met zijn activiteit moet beginnen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-07-17/32, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 09-05-2014>
1° de vergunning maakt het voorwerp uit van een systeem van automatische verlenging;
2° de vergunning is alleen afhankelijk van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
3° het aantal beschikbare vergunningen is beperkt omwille van een dwingende reden van algemeen belang;
4° een beperkte duur is gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onverminderd de mogelijkheid om een vergunning in te trekken wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de maximale termijn waarbinnen de dienstverrichter na ontvangst van de vergunning daadwerkelijk met zijn activiteit moet beginnen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-07-17/32, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 09-05-2014>
Bron: Justel
