Artikel VII.30, WER
Art. VII.30. [1 § 1. De betalingsdienstaanbieder mag uit hoofde van de artikelen VII.32 tot VII.55/9 en VII.55/13 tot VII.56 en behoudens andersluidende bepaling, de betalingsdienstgebruiker geen kosten aanrekenen voor het vervullen van zijn verplichtingen.
In afwijking van het voorgaande lid, kan de betalingsdienstaanbieder kosten aanrekenen in de gevallen bedoeld in de artikelen VII.49, § 1, VII.50, vijfde lid, of VII.55/2, § 4, voor zover dit in het raamcontract werd overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder en in de mate dat de aan te rekenen kosten passend zijn en in overeenstemming met de kosten die de betalingsdienstaanbieder feitelijk gedragen heeft.
§ 2. Voor betalingstransacties die binnen de Europese Unie worden verricht, waarbij de betalingsdienstaanbieders van zowel de betaler als de begunstigde, of de enige bij de betalingstransactie betrokken betalingsdienstaanbieder, zich binnen de Unie bevinden, betalen de begunstigde en de betaler elk voor zich de kosten die hun respectieve betalingsdienstaanbieder in rekening brengt.
§ 3. Het is de begunstigde verboden om aan de betaler een vergoeding te vragen voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument en voor betalingsdiensten waarop verordening (EU) 260/2012 van toepassing is.
§ 4. De Koning kan ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, maxima bepalen voor de vergoedingen, ongeacht de benaming of de vorm, die door de betalingsdienstaanbieder aan de begunstigde worden aangerekend voor de terbeschikkingstelling van uitrusting die het verstrekken van betalingsdiensten verbonden met een betaalinstrument vergemakkelijken.]1
----------
(1)<W 2018-07-19/09, art. 10, 063; Inwerkingtreding : 09-08-2018>
In afwijking van het voorgaande lid, kan de betalingsdienstaanbieder kosten aanrekenen in de gevallen bedoeld in de artikelen VII.49, § 1, VII.50, vijfde lid, of VII.55/2, § 4, voor zover dit in het raamcontract werd overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder en in de mate dat de aan te rekenen kosten passend zijn en in overeenstemming met de kosten die de betalingsdienstaanbieder feitelijk gedragen heeft.
§ 2. Voor betalingstransacties die binnen de Europese Unie worden verricht, waarbij de betalingsdienstaanbieders van zowel de betaler als de begunstigde, of de enige bij de betalingstransactie betrokken betalingsdienstaanbieder, zich binnen de Unie bevinden, betalen de begunstigde en de betaler elk voor zich de kosten die hun respectieve betalingsdienstaanbieder in rekening brengt.
§ 3. Het is de begunstigde verboden om aan de betaler een vergoeding te vragen voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument en voor betalingsdiensten waarop verordening (EU) 260/2012 van toepassing is.
§ 4. De Koning kan ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, maxima bepalen voor de vergoedingen, ongeacht de benaming of de vorm, die door de betalingsdienstaanbieder aan de begunstigde worden aangerekend voor de terbeschikkingstelling van uitrusting die het verstrekken van betalingsdiensten verbonden met een betaalinstrument vergemakkelijken.]1
----------
(1)<W 2018-07-19/09, art. 10, 063; Inwerkingtreding : 09-08-2018>
Bron: Justel
