Artikel VII.97, WER
Art. VII.97.[1 § 1. De kredietgever kan een billijke en objectief gegronde vergoeding bedingen in geval van volledige of gedeeltelijke vervroegde terugbetaling.
De kredietgever deelt aan de consument op een [2 duurzame gegevensdrager]2 het gevraagde bedrag mee binnen de tien dagen na de ontvangst van de brief bedoeld in artikel VII. 96, tweede lid of na de ontvangst op zijn rekening van de door de consument terugbetaalde sommen. Deze mededeling herneemt onder meer de berekening van de vergoeding.
Indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en het overeengekomen einde van de overeenkomst meer dan één jaar bedraagt, mag dergelijke vergoeding niet hoger zijn dan 1 pct. van het bedrag in kapitaal dat vervroegd werd afgelost.
Indien de termijn niet meer dan één jaar bedraagt, mag de vergoeding ten hoogste 0,5 pct. bedragen van het bedrag in kapitaal dat vervroegd werd afgelost.
§ 2. De kredietgever mag geen enkele vergoeding vragen :
1° indien, door toepassing van de artikelen VII. 194 tot VII. 196, VII. 200 of VII. 201, de verplichtingen van de consument werden verminderd tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag;
2° in geval van terugbetaling in uitvoering van een verzekeringsovereenkomst die contractueel de terugbetaling van het krediet waarborgt;
3° in geval van een kredietopening;
4° indien de aflossing valt in een termijn waarvoor geen vaste debetrentevoet geldt.
§ 3. Een vergoeding mag niet hoger zijn dan het rentebedrag dat de consument zou hebben betaald gedurende de termijn tussen de vervroegde aflossing en de overeengekomen datum waarop de kredietovereenkomst eindigt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2018-09-20/14, art. 23, 067; Inwerkingtreding : 20-10-2018>
De kredietgever deelt aan de consument op een [2 duurzame gegevensdrager]2 het gevraagde bedrag mee binnen de tien dagen na de ontvangst van de brief bedoeld in artikel VII. 96, tweede lid of na de ontvangst op zijn rekening van de door de consument terugbetaalde sommen. Deze mededeling herneemt onder meer de berekening van de vergoeding.
Indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en het overeengekomen einde van de overeenkomst meer dan één jaar bedraagt, mag dergelijke vergoeding niet hoger zijn dan 1 pct. van het bedrag in kapitaal dat vervroegd werd afgelost.
Indien de termijn niet meer dan één jaar bedraagt, mag de vergoeding ten hoogste 0,5 pct. bedragen van het bedrag in kapitaal dat vervroegd werd afgelost.
§ 2. De kredietgever mag geen enkele vergoeding vragen :
1° indien, door toepassing van de artikelen VII. 194 tot VII. 196, VII. 200 of VII. 201, de verplichtingen van de consument werden verminderd tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag;
2° in geval van terugbetaling in uitvoering van een verzekeringsovereenkomst die contractueel de terugbetaling van het krediet waarborgt;
3° in geval van een kredietopening;
4° indien de aflossing valt in een termijn waarvoor geen vaste debetrentevoet geldt.
§ 3. Een vergoeding mag niet hoger zijn dan het rentebedrag dat de consument zou hebben betaald gedurende de termijn tussen de vervroegde aflossing en de overeengekomen datum waarop de kredietovereenkomst eindigt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
(2)<W 2018-09-20/14, art. 23, 067; Inwerkingtreding : 20-10-2018>
Bron: Justel
