Artikel VII.147/12, WER
Art. VII.147/12. [1 § 1. De kredietgever mag een vergoeding bedingen voor het geval van een gehele of gedeeltelijke vervroegde terugbetaling.
Deze vergoeding dient berekend te worden, aan de periodieke rentevoet van het krediet, op het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo.
Voor deze berekening dient dat bedrag, wanneer er een toegevoegd contract is waarvan de afkoopwaarde niet aangewend wordt voor de terugbetaling, verminderd te worden met die afkoopwaarde.
Bij gedeeltelijke terugbetaling worden deze regels proportioneel toegepast.
Deze vergoeding mag niet méér bedragen dan drie maanden intrest.
§ 2. De kredietgever mag geen enkele vergoeding vragen :
1° indien, door toepassing van de artikelen VII.209 en VII.210, de verplichtingen van de consument werden verminderd tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag;
2° in geval van terugbetaling na overlijden, in uitvoering van een aangehecht of toegevoegd contract;
3° in geval van een kredietopening die een hypothecair krediet met een roerende bestemming uitmaakt.
§ 3. De kredietgever mag de afkoop van een toegevoegd contract niet te zijnen gunste bedingen dan voor het geval de opbrengst van de verkoop van het in waarborg gegeven onroerend goed hem niet toelaat de terugbetaling van zijn krediet te bekomen.
§ 4. Zijn bevrijdend tegenover de kredietgever, de stortingen in kapitaal en vergoeding gedaan krachtens de kredietovereenkomst aan een derde, met het oog op een vervroegde terugbetaling.]1
----------
(1)<W 2016-04-22/01, art. 24, 038; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
Deze vergoeding dient berekend te worden, aan de periodieke rentevoet van het krediet, op het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo.
Voor deze berekening dient dat bedrag, wanneer er een toegevoegd contract is waarvan de afkoopwaarde niet aangewend wordt voor de terugbetaling, verminderd te worden met die afkoopwaarde.
Bij gedeeltelijke terugbetaling worden deze regels proportioneel toegepast.
Deze vergoeding mag niet méér bedragen dan drie maanden intrest.
§ 2. De kredietgever mag geen enkele vergoeding vragen :
1° indien, door toepassing van de artikelen VII.209 en VII.210, de verplichtingen van de consument werden verminderd tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag;
2° in geval van terugbetaling na overlijden, in uitvoering van een aangehecht of toegevoegd contract;
3° in geval van een kredietopening die een hypothecair krediet met een roerende bestemming uitmaakt.
§ 3. De kredietgever mag de afkoop van een toegevoegd contract niet te zijnen gunste bedingen dan voor het geval de opbrengst van de verkoop van het in waarborg gegeven onroerend goed hem niet toelaat de terugbetaling van zijn krediet te bekomen.
§ 4. Zijn bevrijdend tegenover de kredietgever, de stortingen in kapitaal en vergoeding gedaan krachtens de kredietovereenkomst aan een derde, met het oog op een vervroegde terugbetaling.]1
----------
(1)<W 2016-04-22/01, art. 24, 038; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
Bron: Justel
