Artikel IV.91, WER

Art. IV.91.[1 § 1. Het onderzoek bedoeld in artikel IV.39 mag slechts betrekking hebben op feiten die zich niet vroeger hebben voorgedaan dan vijf jaar voor de datum van de beslissing van de auditeur-generaal om ambtshalve een onderzoek in te stellen of de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de auditeur-generaal overeenkomstig artikel IV.39.
   In geval van voortdurende of herhaalde inbreuken loopt de termijn van vijf jaar slechts vanaf de dag dat aan de laatste inbreuk een einde is gekomen.
   § 2. De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing van de auditeur-generaal om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij de auditeur-generaal overeenkomstig artikel IV.39.
   In geval van voortdurende of herhaalde inbreuken, die doorlopen na de datum bedoeld in het eerste lid, vangt de termijn aan vanaf de dag dat aan de laatste inbreuk een einde is gekomen.
   De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het eerste lid of tweede lid, of door een gemotiveerd verzoek gericht aan de voorzitter door de klager of de verzoeker; met die daden begint een nieuwe termijn van vijf jaar te lopen.
   De verjaring met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing wordt geschorst zolang in de zaak een procedure aanhangig is bij het Marktenhof of het Hof van Cassatie.
   § 3. De verjaringstermijn met betrekking tot het opleggen van geldboeten en dwangsommen is:
   1° drie jaar voor inbreuken op de bepalingen betreffende verzoeken om inlichtingen en het verrichten van huiszoekingen;
   2° vijf jaar voor de overige inbreuken.
   De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of herhaalde inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop aan de laatste inbreuk een einde is gekomen.
   [2 De verjaring inzake de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt slechts gestuit door daden van onderzoek en van beslissing van de Belgische Mededingingsautoriteit of, als het de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU betreft, van de Europese Commissie of een nationale mededingingsautoriteit met het oog op het onderzoek of vervolging van een inbreuk betreffende dezelfde overeenkomst, dezelfde beslissing van een ondernemingsvereniging, dezelfde onderling afgestemde feitelijke gedraging of een andere door artikel 101 of 102 VWEU verboden gedraging.]2
  [2 De stuiting van de verjaringstermijn treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemingsvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen.]2
   Handelingen die de verjaring stuiten, zijn onder andere:
   1° een schriftelijk verzoek om inlichtingen;
   2° een schriftelijke opdracht tot huiszoeking;
   3° het instellen van een procedure;
   4° het mededelen van grieven en het indienen van het voorstel van beslissing;
   5° het openen van de schikkingsprocedure.
   De stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemingsverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
   Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. [2 ...]2
  [2 De stuiting neemt echter een einde de dag waarop de mededingingsautoriteit haar procedure beëindigt door het nemen van een beslissing of op een andere manier. De verjaring treedt uiterlijk in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat het Mededingingscollege een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende dewelke de verjaring overeenkomstig het negende lid wordt geschorst.]2
   De verjaringstermijn inzake de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang in de zaak een procedure aanhangig is bij het Marktenhof of het Hof van Cassatie.
   § 4. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van beslissingen tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen verjaart na vijf jaar.
   De verjaringstermijn gaat in de dag waarop de beslissing definitief is geworden.
   De verjaring inzake tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen wordt gestuit:
   1° door de kennisgeving van een beslissing waarbij het oorspronkelijke bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;
   2° door elke handeling van het bevoegde orgaan of van een lidstaat dat handelt op verzoek van dat bevoegde orgaan, tot inning van de geldboete of de dwangsom.
   Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.
   De verjaring inzake de tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst:
   1° zolang uitstel van betaling wordt verleend;
   2° zolang de gedwongen tenuitvoerlegging van de betaling krachtens een beslissing van het Marktenhof is opgeschort.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
  (2)<W 2022-02-28/02, art. 74, 104; Inwerkingtreding : 17-03-2022>

  
Bron: Justel