Artikel VII.59, WER
Art. VII.59.[1 § 1. De kredietinstelling weigert de aanvraag indien de aanvraag van de basisbankdienst zou resulteren in een schending van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
De kredietinstelling kan de aanvraag weigeren indien de consument in België een andere betaalrekening heeft waarmee hij gebruik kan maken van de in artikel VII.57, § 1, vermelde betalingsdiensten, of een rekening waarvan het jaarlijks gemiddelde gecumuleerde creditsaldo hoger is dan [3 10.000 euro]3.
Als de consument verklaart ervan in kennis te zijn gesteld dat een rekening zal worden opgeheven, wordt met deze geen rekening gehouden.
Voor de bepaling van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, worden de waarborgen bedoeld bij artikel 10, boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek niet in rekening gebracht.
De Koning kan het bedrag bedoeld in het tweede lid wijzigen.
De kredietinstelling kan in zulke gevallen, alvorens een basisbankdienst te openen, nagaan of de consument al dan niet een betaalrekening aanhoudt bij een andere in België gevestigde kredietinstelling die hem de mogelijkheid biedt gebruik te maken van de in artikel VII.57, § 1, bedoelde diensten. De kredietinstelling kan zich verlaten op een te dien einde door de consument ondertekende verklaring op erewoord.
In de gevallen waar de kredietinstelling weigert, brengt ze de consument hiervan onmiddellijk na haar beslissing tot weigering op de hoogte.
§ 2. De kredietinstelling kan de basisbankdienst opzeggen indien ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:
1° de consument is veroordeeld voor oplichting, misbruik van vertrouwen, bedrieglijke bankbreuk, valsheid in geschrifte, of heeft de betaalrekening in het kader van de basisbankdienst opzettelijk misbruikt voor illegale doeleinden;
2° er heeft gedurende meer dan vierentwintig opeenvolgende maanden op de desbetreffende betaalrekening in het kader van de basisbankdienst geen betalingstransactie plaatsgevonden;
3° de consument heeft onjuiste informatie verstrekt om de basisbankdienst te verkrijgen, met dien verstande dat als hij wel juiste informatie zou hebben verstrekt, hij geen recht op een dergelijke basisbankdienst zou hebben gehad;
4° [2 de consument voldoet niet meer aan de verblijfsvoorwaarden bedoeld in artikel VII.57, § 2, eerste lid;]2
5° de consument heeft in België een andere betaalrekening geopend waarmee hij gebruik kan maken van de in artikel VII.57, § 1, vermelde betalingsdiensten, of een rekening waarvan het jaarlijks gemiddelde gecumuleerde creditsaldo hoger is dan [3 10.000 euro]3.
Als de consument verklaart ervan in kennis te zijn gesteld dat een rekening zal worden opgeheven, wordt met deze geen rekening gehouden.
Voor de bepaling van het in het eerste lid bepaalde bedrag worden de waarborgen bedoeld in artikel 10 van het Burgerlijk Wetboek, boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, niet in rekening gebracht.
De Koning kan het bedrag bedoeld in het eerste lid wijzigen.
[3 Elk jaar wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag aangepast aan het indexcijfer van de consumentenprijzen in november van elk jaar.]3
Indien de kredietinstelling het raamcontract beëindigt, neemt ze een opzegtermijn van ten minste twee maanden in acht, tenzij in geval van beëindiging overeenkomstig de bepaling onder 1° of 3°, in welk geval de beëindiging onmiddellijk ingaat.
§ 3. De beschikking van toelaatbaarheid van een verzoek tot collectieve schuldenregeling, of het feit dat de consument een kredietovereenkomst heeft gesloten, kan geen reden zijn om een basisbankdienst te weigeren of op te zeggen.]1
----------
(1)<W 2017-12-22/14, art. 15, 057; Inwerkingtreding : 01-02-2018>
(2)<W 2024-05-03/21, art. 10, 135; Inwerkingtreding : 10-06-2024>
(3)<KB 2024-07-17/18, art. 2, 138; Inwerkingtreding : 01-12-2024>
De kredietinstelling kan de aanvraag weigeren indien de consument in België een andere betaalrekening heeft waarmee hij gebruik kan maken van de in artikel VII.57, § 1, vermelde betalingsdiensten, of een rekening waarvan het jaarlijks gemiddelde gecumuleerde creditsaldo hoger is dan [3 10.000 euro]3.
Als de consument verklaart ervan in kennis te zijn gesteld dat een rekening zal worden opgeheven, wordt met deze geen rekening gehouden.
Voor de bepaling van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, worden de waarborgen bedoeld bij artikel 10, boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek niet in rekening gebracht.
De Koning kan het bedrag bedoeld in het tweede lid wijzigen.
De kredietinstelling kan in zulke gevallen, alvorens een basisbankdienst te openen, nagaan of de consument al dan niet een betaalrekening aanhoudt bij een andere in België gevestigde kredietinstelling die hem de mogelijkheid biedt gebruik te maken van de in artikel VII.57, § 1, bedoelde diensten. De kredietinstelling kan zich verlaten op een te dien einde door de consument ondertekende verklaring op erewoord.
In de gevallen waar de kredietinstelling weigert, brengt ze de consument hiervan onmiddellijk na haar beslissing tot weigering op de hoogte.
§ 2. De kredietinstelling kan de basisbankdienst opzeggen indien ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:
1° de consument is veroordeeld voor oplichting, misbruik van vertrouwen, bedrieglijke bankbreuk, valsheid in geschrifte, of heeft de betaalrekening in het kader van de basisbankdienst opzettelijk misbruikt voor illegale doeleinden;
2° er heeft gedurende meer dan vierentwintig opeenvolgende maanden op de desbetreffende betaalrekening in het kader van de basisbankdienst geen betalingstransactie plaatsgevonden;
3° de consument heeft onjuiste informatie verstrekt om de basisbankdienst te verkrijgen, met dien verstande dat als hij wel juiste informatie zou hebben verstrekt, hij geen recht op een dergelijke basisbankdienst zou hebben gehad;
4° [2 de consument voldoet niet meer aan de verblijfsvoorwaarden bedoeld in artikel VII.57, § 2, eerste lid;]2
5° de consument heeft in België een andere betaalrekening geopend waarmee hij gebruik kan maken van de in artikel VII.57, § 1, vermelde betalingsdiensten, of een rekening waarvan het jaarlijks gemiddelde gecumuleerde creditsaldo hoger is dan [3 10.000 euro]3.
Als de consument verklaart ervan in kennis te zijn gesteld dat een rekening zal worden opgeheven, wordt met deze geen rekening gehouden.
Voor de bepaling van het in het eerste lid bepaalde bedrag worden de waarborgen bedoeld in artikel 10 van het Burgerlijk Wetboek, boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, niet in rekening gebracht.
De Koning kan het bedrag bedoeld in het eerste lid wijzigen.
[3 Elk jaar wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag aangepast aan het indexcijfer van de consumentenprijzen in november van elk jaar.]3
Indien de kredietinstelling het raamcontract beëindigt, neemt ze een opzegtermijn van ten minste twee maanden in acht, tenzij in geval van beëindiging overeenkomstig de bepaling onder 1° of 3°, in welk geval de beëindiging onmiddellijk ingaat.
§ 3. De beschikking van toelaatbaarheid van een verzoek tot collectieve schuldenregeling, of het feit dat de consument een kredietovereenkomst heeft gesloten, kan geen reden zijn om een basisbankdienst te weigeren of op te zeggen.]1
----------
(1)<W 2017-12-22/14, art. 15, 057; Inwerkingtreding : 01-02-2018>
(2)<W 2024-05-03/21, art. 10, 135; Inwerkingtreding : 10-06-2024>
(3)<KB 2024-07-17/18, art. 2, 138; Inwerkingtreding : 01-12-2024>
Bron: Justel
