Artikel XV.66/3, WER
Art. XV.66/3.[1 § 1. Onverminderd de andere maatregelen bepaald door de wet en indien op het einde van de door de Koning vastgestelde termijn, de in toepassing van artikel XI.285 door de FOD Economie gevraagde informatie niet wordt verschaft door een natuurlijk persoon of rechtspersoon van publiek of privaat recht, kan de minister of de hiertoe door de minister aangestelde ambtenaar, deze een administratieve geldboete opleggen van een bedrag tussen de 100 en 110.000 euro.
§ 2. Wanneer de administratieve geldboete bedoeld in § 1 overwogen wordt, brengt de minister of de daartoe specifiek aangewezen ambtenaar de betrokken persoon op voorhand op de hoogte van zijn klachten, via aangetekende zending met ontvangbewijs.
Via die aangetekende zending brengt hij de betrokken persoon op de hoogte van het feit, dat hij de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de daartoe specifiek aangewezen ambtenaar, en dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen.
§ 3. Elk beroep tegen de in dit artikel bedoelde administratieve geldboete wordt uitsluitend ingesteld voor het [2 Marktenhof]2.
De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen heeft uitvoerende kracht zodra de termijn van een maand na de dag van kennisgeving, bedoeld in § 2, is verstreken.
Het beroep is opschortend.
§ 4. De beslissing wordt via aangetekende zending ter kennis gebracht van de overtreder.
§ 5. De administratieve geldboete kan niet worden opgelegd nadat één jaar verstreken is te rekenen vanaf de dag waarop de gevraagde gegevens hadden moeten zijn meegedeeld aan de FOD Economie of aan de derde die hij aanwijst, de eventuele beroepsprocedures niet inbegrepen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 14, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
(2)<W 2017-02-20/01, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 27-02-2017>
§ 2. Wanneer de administratieve geldboete bedoeld in § 1 overwogen wordt, brengt de minister of de daartoe specifiek aangewezen ambtenaar de betrokken persoon op voorhand op de hoogte van zijn klachten, via aangetekende zending met ontvangbewijs.
Via die aangetekende zending brengt hij de betrokken persoon op de hoogte van het feit, dat hij de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de daartoe specifiek aangewezen ambtenaar, en dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen.
§ 3. Elk beroep tegen de in dit artikel bedoelde administratieve geldboete wordt uitsluitend ingesteld voor het [2 Marktenhof]2.
De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen heeft uitvoerende kracht zodra de termijn van een maand na de dag van kennisgeving, bedoeld in § 2, is verstreken.
Het beroep is opschortend.
§ 4. De beslissing wordt via aangetekende zending ter kennis gebracht van de overtreder.
§ 5. De administratieve geldboete kan niet worden opgelegd nadat één jaar verstreken is te rekenen vanaf de dag waarop de gevraagde gegevens hadden moeten zijn meegedeeld aan de FOD Economie of aan de derde die hij aanwijst, de eventuele beroepsprocedures niet inbegrepen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 14, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
(2)<W 2017-02-20/01, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 27-02-2017>
Bron: Justel
