Artikel XV.6/1, WER
Art. XV.6/1.[1 § 1. De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis hebben gekregen bij de uitoefening van hun taken, niet onthullen, aan welke persoon of autoriteit ook.
In afwijking van het eerste lid mogen deze ambtenaren vertrouwelijke informatie meedelen:
1° in beknopte of samengevoegde vorm, op voorwaarde dat individuele natuurlijke of rechtspersonen niet [3 identificeerbaar zijn]3;
2° ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens dit Wetboek [3 of andere wetten]3;
3° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken;
4° voor de aangifte van [3 andere misdaden en wanbedrijven]3 dan deze bedoeld in dit Wetboek en haar uitvoeringsbesluiten, bij de gerechtelijke autoriteiten;
5° aan andere overheidsdiensten en -instellingen, indien dit [3 noodzakelijk is voor]3 het opsporen, vervolgen en sanctioneren van inbreuken op de wetgevingen die tot hun bevoegdheden behoort;
[2 6° aan buitenlandse autoriteiten, desgevallend binnen de grenzen of met inachtneming van de Europese richtlijnen en verordeningen, indien dit [3 noodzakelijk is voor]3 het opsporen en vervolgen van inbreuken die vergelijkbaar zijn met deze waarvoor dit boek in sancties voorziet.]2
§ 2. De inbreuken op paragraaf 1 worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2017-04-18/03, art. 22, 046; Inwerkingtreding : 04-05-2017>
(2)<W 2019-05-02/28, art. 28, 077; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
(3)<W 2023-11-05/07, art. 33, 123; Inwerkingtreding : 21-12-2023>
In afwijking van het eerste lid mogen deze ambtenaren vertrouwelijke informatie meedelen:
1° in beknopte of samengevoegde vorm, op voorwaarde dat individuele natuurlijke of rechtspersonen niet [3 identificeerbaar zijn]3;
2° ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens dit Wetboek [3 of andere wetten]3;
3° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken;
4° voor de aangifte van [3 andere misdaden en wanbedrijven]3 dan deze bedoeld in dit Wetboek en haar uitvoeringsbesluiten, bij de gerechtelijke autoriteiten;
5° aan andere overheidsdiensten en -instellingen, indien dit [3 noodzakelijk is voor]3 het opsporen, vervolgen en sanctioneren van inbreuken op de wetgevingen die tot hun bevoegdheden behoort;
[2 6° aan buitenlandse autoriteiten, desgevallend binnen de grenzen of met inachtneming van de Europese richtlijnen en verordeningen, indien dit [3 noodzakelijk is voor]3 het opsporen en vervolgen van inbreuken die vergelijkbaar zijn met deze waarvoor dit boek in sancties voorziet.]2
§ 2. De inbreuken op paragraaf 1 worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2017-04-18/03, art. 22, 046; Inwerkingtreding : 04-05-2017>
(2)<W 2019-05-02/28, art. 28, 077; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
(3)<W 2023-11-05/07, art. 33, 123; Inwerkingtreding : 21-12-2023>
Bron: Justel
