Artikel XI.75/9/1, WER
Art. XI.75/9/1. [1 § 1. De inkomsten van het Instituut bestaan uit:
1° de jaarbijdragen van de leden van het Instituut;
2° de opbrengsten uit het vermogen van het Instituut;
3° de toelagen, legaten en schenkingen;
4° de vergoedingen bedoeld in artikel XI.75/8, § 2, derde lid, 2° ;
5° de boetes bedoeld in artikel XI.75/8, § 5, 3°.
Het Instituut mag zijn beschikbare gelden enkel besteden aan de aankoop van effecten waarvan het kapitaal en de rente gewaarborgd zijn. In geen geval mag het Instituut ten kosteloze titel over zijn vermogen beschikken noch zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verdelen onder zijn leden of hun rechthebbenden.
§ 2. De Koning kan bijkomende bronnen van inkomsten bepalen. De Koning bepaalt het model voor de opmaak van de rekeningen van het Instituut.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2022-09-25/06, art. 16, 119; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
1° de jaarbijdragen van de leden van het Instituut;
2° de opbrengsten uit het vermogen van het Instituut;
3° de toelagen, legaten en schenkingen;
4° de vergoedingen bedoeld in artikel XI.75/8, § 2, derde lid, 2° ;
5° de boetes bedoeld in artikel XI.75/8, § 5, 3°.
Het Instituut mag zijn beschikbare gelden enkel besteden aan de aankoop van effecten waarvan het kapitaal en de rente gewaarborgd zijn. In geen geval mag het Instituut ten kosteloze titel over zijn vermogen beschikken noch zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verdelen onder zijn leden of hun rechthebbenden.
§ 2. De Koning kan bijkomende bronnen van inkomsten bepalen. De Koning bepaalt het model voor de opmaak van de rekeningen van het Instituut.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2022-09-25/06, art. 16, 119; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
Bron: Justel
