Artikel VII.169, WER

Art. VII.169.[1 De kredietgevers brengen de FSMA voorafgaandelijk op de hoogte van de voordracht tot benoeming van de leden van het [3 bestuursorgaan]3 en de leden van het directiecomité of, wanneer er geen directiecomité is, van de personen belast met de effectieve leiding.
  In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking, delen de kredietgevers de FSMA de informatie en documenten mee die haar toelaten te beoordelen of de personen van wie de benoeming wordt voorgesteld, over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken overeenkomstig artikel VII. 164, § 1, tweede lid.
  Het eerste lid is ook van toepassing op de voordracht tot hernieuwing van de benoeming van de aldaar bedoelde personen, en op de niet-hernieuwing van hun benoeming en op hun ontslag.
  Voor de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen is de voorafgaande goedkeuring van de FSMA vereist.
  Wanneer het de voordracht tot benoeming betreft van een persoon die voor het eerst wordt voorgedragen voor een in het eerste lid bedoelde functie bij een financiële onderneming die, met toepassing van artikel 45, § 1, 2°, van de wet van 2 augustus 2002, onder het toezicht staat van de FSMA, raadpleegt de FSMA eerst de Bank. De Bank deelt haar advies aan de FSMA mee binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
  De kredietgevers informeren de FSMA over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het [3 bestuursorgaan]3 en de personen belast met de effectieve leiding, en over de belangrijke wijzigingen in deze taakverdeling.
  Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het vorige lid, geven aanleiding tot de toepassing van leden 1 tot 4.]1
  [2 Onverminderd artikel VII. 160, § 4, tweede lid brengen de kredietgevers en de in het eerste lid bedoelde personen de FSMA onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging in de bij de benoeming verstrekte informatie inhoudt, en dat een invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste professionele betrouwbaarheid of passende deskundigheid.
   Overeenkomstig de artikelen VII. 164, § 1, tweede lid, VII. 166, § 1 en XV. 18/1, kan de FSMA, wanneer zij in het kader van de uitvoering van haar toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het achtste lid is verkregen, de naleving van de in artikel VII. 164, § 1, tweede lid bedoelde vereisten herbeoordelen.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>
  (2)<W 2017-12-05/04, art. 20, 052; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (3)<W 2021-06-27/09, art. 299, 099; Inwerkingtreding : 19-07-2021>

  
Bron: Justel