Artikel XV.3, WER

Art. XV.3.[1 Met het oog op het opsporen en vaststellen van de inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1, hebben de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren de volgende bevoegdheden :
  1° zich tijdens de gewone openings- of werkuren, tijdens het productieproces of op het ogenblik dat de producten of diensten worden aangeboden of er aanwijzingen zijn dat het productieproces gaande is of de producten of diensten worden aangeboden, toegang verschaffen tot of zich toegang laten verschaffen tot alle plaatsen [5 , en tot alle vervoersmiddelen, waarvan ze kunnen eisen dat de vervoerder ze tot stilstand brengt,]5 waarvan zij op redelijke gronden van oordeel zijn dat de betreding ervan voor het vervullen van hun taak noodzakelijk is, tenzij het bewoonde lokalen betreft.
  Voor wat betreft het opsporen en vaststellen van inbreuken op Boek IX en Boek XI kunnen de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren zich echter te allen tijde toegang verschaffen tot of zich toegang laten verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde plaatsen.
  De bewoonde lokalen kunnen niettemin worden betreden na de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner.
  Indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk kunnen zij, op gemotiveerd verzoek, in de bewoonde lokalen binnentreden tussen vijf en eenentwintig uur met voorafgaande, gemotiveerde, schriftelijke, ondertekende en gedagtekende machtiging van de onderzoeksrechter en door ten minste twee ambtenaren die gezamenlijk optreden.
  In het geval van heterdaad zoals bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering mogen zij ook te allen tijde binnengaan in de bewoonde lokalen [3 ...]3, in welk geval zij er niet toe gehouden zijn de [8 visitatie van de bewoonde lokalen]8 met twee te doen;
  2° alle nuttige vaststellingen doen, alle onderzoeken, controles en opsporingen uitvoeren en alle informatie verzamelen die zij noodzakelijk achten voor het verzekeren van een daadwerkelijke naleving van de bepalingen bedoeld in artikel XV.2, § 1;
  3° elke persoon ondervragen over elk feit waarvan de kennis ervan nuttig is voor de opsporing of de vaststelling;
  4° de pakken, kisten, tonnen en alle andere soorten verpakkingen openen waarvan zij veronderstellen dat zij goederen bevatten die het voorwerp of het bewijs van een inbreuk bedoeld in artikel XV.2, § 1, uitmaken, en er de inhoud van onderzoeken;
  5° zich op eerste vordering, zonder verplaatsing of na zich naar de in de bepaling onder 1° bedoelde plaatsen [5 of vervoersmiddelen]5 te hebben begeven, alle inlichtingen, documenten, stukken, boeken, bescheiden, gegevensbestanden en geïnformatiseerde dragers van gegevens [5 , ongeacht het gebruikte medium of de locatie van opslag,]5 laten verstrekken die zij tot het volbrengen van hun taken nodig achten en hiervan gratis afschrift nemen, of ze gratis meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs.
  Wanneer de geïnformatiseerde dragers toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, hebben zij het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm tegen afgifte van een ontvangstbewijs.
  [5 De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 kunnen desgevallend de termijn bepalen waarbinnen deze gegevens moeten worden verstrekt.]5 [7 De termijn moet redelijk zijn in verhouding tot de omvang van het verzoek;]7
  [2 5° /1. [4 [5 in afwijking van de artikelen 46bis en]5 46quater van het Wetboek van Strafvordering,]4 zich op eerste vordering door elke persoon gratis alle inlichtingen laten verstrekken die de identificatie mogelijk maken van personen die het voorwerp uitmaken van een onderzoek [5 en personen die betrokken zijn bij financiële en gegevensstromen die noodzakelijk zijn in het kader van het onderzoek]5.]2
  [6 Voor wat de identificatie betreft van natuurlijke of rechtspersonen aan de hand van het telefoonnummer van de betrokkene of het IP-adres, kunnen zij, op een met redenen omkleed verzoek en in overeenstemming met het artikel 127/1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, de verstrekking van de identificatiedocumenten en -gegevens vorderen van de operator bedoeld in artikel 2, 11°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
   De leidinggevende ambtenaar van de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 wijst de personen aan die gemachtigd zijn om de in het tweede lid bedoelde informatie op te vragen en te verwerken. Elk verzoek tot het opvragen van informatie wordt gevalideerd door de leidinggevende ambtenaar of diens vertegenwoordiger.
   Het opvragen van de in het tweede lid bedoelde informatie gebeurt na een toetsing van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van het verzoek, door andere dan de in het derde lid bedoelde ambtenaren. Deze ambtenaren mogen in geen enkele andere hoedanigheid optreden in het dossier waarvoor de informatie wordt opgevraagd. De door deze ambtenaren uitgevoerde toetsing dient met redenen te worden omkleed en is dwingend.
   Verkeersgegevens, locatiegegevens en IP-adressen, bedoeld in en overeenkomstig artikel 127/1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, kunnen slechts opgevraagd worden op een met redenen omkleed verzoek en met voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel of een onderzoeksrechter in de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die voor de toepassing van dit lid ook bevoegd is buiten zijn arrondissement. De verkeersgegevens, locatiegegevens en IP-adressen kunnen slechts opgevraagd worden voor het opsporen en vaststellen van inbreuken van niveau 5 of 6.
  [7 ...]7]6
  [5 5° /2. in afwijking van artikel 46quater van het Wetboek van Strafvordering, financiële stromen opsporen. Meer bepaald kunnen ze [6 kosteloos]6 alle noodzakelijke informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele waarden, die betrekking hebben op een verdachte vorderen bij :
   a) personen en instellingen als bedoeld in artikel 5, § 1, 3° tot 22°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
   b) personen en instellingen die binnen het Belgisch grondgebied diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld;]5
  [6 5° /3. met het oog op het uitoefenen van de bevoegdheden bedoeld in de bepalingen onder 5° /1, eerste lid, en 5° /2, door middel van een met redenen omkleed verzoek, alle noodzakelijke informatie opvragen bij het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
   Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de algemene verordening gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde opvraging niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van vijf jaar:
   1° na de definitieve vaststelling dat er geen inbreuken werden begaan door de betrokken persoon;
   2° indien is vastgesteld dat de waarschuwing bedoeld in artikel XV.31 werd nageleefd, vanaf het ogenblik van de vaststelling van de regularisatie;
   3° vanaf het ogenblik dat een toezegging werd verkregen of aanvaard, zoals bedoeld in artikel XV.31/2, en er geen verdere administratieve of strafrechtelijke vervolging is voorzien;
   4° vanaf het ogenblik van de vaststelling van de betaling van de transactie bedoeld in [7 artikel XV.61]7;
   5° vanaf het ogenblik dat een definitieve administratieve beslissing is genomen, in het bijzonder deze bedoeld in artikel XV.60/2;
   6° vanaf het ogenblik dat toepassing is gemaakt van de minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of de bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek of enige andere rechterlijke procedure;
   7° vanaf het ogenblik van de definitieve rechterlijke beslissing.
  [7 ...]7]6
  6° een inventaris van producten opmaken of ze laten opmaken;
  7° kosteloos de nodige monsters nemen, voor het bepalen van de aard en de samenstelling van de goederen evenals voor de verschaffing van het bewijs van een inbreuk, tegen afgifte van een ontvangstbewijs.
  In voorkomend geval moeten de eigenaars, bezitters of houders van bedoelde zaken de recipiënten verschaffen die nodig zijn voor het vervoer en de bewaring van de monsters.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor het nemen, meenemen en ontleden van deze stalen en kan tevens de voorwaarden en de nadere regelen voor de erkenning van natuurlijke of rechtspersonen bevoegd om de ontledingen uit te voeren vastleggen;
  8° [5 goederen of diensten inspecteren, bestuderen, demonteren en testen of dit laten doen.
   Indien er voldoende aanwijzingen zijn dat een goed of dienst :
   a) niet voldoet aan de voorwaarden opgelegd door besluiten genomen in uitvoering van artikelen VI.9, § 1, en VI.10, of
   b) het voorwerp is van een oneerlijke handelspraktijk, of
   c) in strijd is met de intellectuele eigendomsrechten zoals strafbaar gesteld in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8,
   en de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren niet over de mogelijkheid beschikken om zelf de nodige ontleding of controle uit te voeren of de resultaten onvoldoende betrouwbaar zijn, kan de betrokken onderneming bovendien gelast worden om het goed of de dienst binnen een bepaalde termijn en op kosten van de onderneming te onderwerpen aan ontleding of controle door een onafhankelijk laboratorium of onderzoeksinstelling.
   De onderneming vraagt aan de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren een bevestiging van het gekozen laboratorium of de gekozen onderzoeksinstelling;]5]1
  [5 9° goederen en diensten als testaankoop kopen, indien nodig ook met gebruikmaking van een fictieve identiteit en ondernemingen benaderen door zich voor te doen als cliënten of potentiële cliënten, zonder dat zij hun hoedanigheid en de omstandigheid dat de bij deze gelegenheid gedane vaststellingen kunnen worden aangewend voor de uitoefening van het toezicht, moeten mededelen.
   Wanneer een inbreuk wordt vastgesteld, kunnen de betaalde bedragen voor het uitvoeren van de testaankopen teruggevorderd worden van de overtreder.
   Blijven vrij van straf, de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2, die in dat kader strikt noodzakelijke strafbare feiten plegen.
   De betrokken persoon of personen waarbij vaststellingen worden gedaan mogen niet worden geprovoceerd in de zin van het artikel 30 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
   Alle andere bevoegdheden bedoeld in de bepalingen onder 1° tot en met 8° [7 en in artikel XV.4]7, kunnen aangewend worden bij het uitoefenen van deze bevoegdheid.
   Deze bevoegdheid kan enkel worden uitgeoefend indien het voor de uitoefening van het toezicht noodzakelijk is om de reële omstandigheden die gelden voor gewone cliënten of potentiële cliënten te kunnen vaststellen.
   De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren stellen een verslag op waarin minstens volgende elementen worden opgenomen:
   a) de datum en locatie van het onderzoek;
   b) de identiteit van de betrokken ambtenaren, de hoedanigheid waarin zij optreden en de administratie waartoe zij behoren;
   c) de aanleiding voor het voeren van het onderzoek;
   d) de vaststellingen, met, in voorkomend geval, de eventuele vastgestelde inbreuken;
   e) de gebeurtenissen tijdens het onderzoek [7 , met inbegrip van de eventuele strikt noodzakelijke strafbare feiten die gepleegd zijn door de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2]7;
   f) de identificatie van de betrokken persoon of personen waarbij het onderzoek is gevoerd;
   g) in voorkomend geval, de fictieve identiteit waarvan gebruik werd gemaakt.]5
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-11-20/02, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 12-12-2013 (zie KB 2013-12-08/01, art. 6)>
  (2)<W 2016-06-29/01, art. 36, 036; Inwerkingtreding : 16-07-2016>
  (3)<W 2018-07-30/47, art. 30, 065; Inwerkingtreding : 15-09-2018>
  (4)<W 2019-05-02/28, art. 27, 077; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  (5)<W 2020-09-29/05, art. 5, 092; Inwerkingtreding : 30-11-2020>
  (6)<W 2022-09-25/14, art. 28, 120; Inwerkingtreding : 26-01-2023>
  (7)<W 2023-11-05/07, art. 30, 123; Inwerkingtreding : 21-12-2023>
  (8)<W 2024-05-03/21, art. 26, 135; Inwerkingtreding : 10-06-2024>

  
Bron: Justel