Artikel IV.1, WER
Art. IV.1.[1 § 1. Zijn verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in:
1° het rechtstreeks of onrechtstreeks bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;
2° het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
3° het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;
4° het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging;
5° het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
§ 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 1 zijn echter niet van toepassing op:
1° elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
2° elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en
3° elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen,
die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van producten, die bijdragen tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, waarbij een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:
a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;
b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.
§ 4. Het is natuurlijke personen verboden in het kader van de activiteiten van een onderneming of ondernemingsvereniging met één of meer concurrenten te onderhandelen, overeen te komen, te besluiten of onderling af te stemmen met betrekking tot:
1° het vaststellen van de prijzen bij verkoop van producten aan derden;
2° het beperken van de productie of de verkoop van producten;
3° het toewijzen van markten of afnemers.
De inbreuk op het in het eerste lid bedoelde verbod kan enkel worden vastgesteld ingeval de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging deel uitmaakt van een door het Mededingingscollege of de auditeur in dezelfde zaak vastgestelde inbreuk op het verbod bedoeld in de eerste paragraaf door de onderneming of ondernemingsvereniging in het kader van wiens activiteiten de natuurlijke persoon is opgetreden.
Ingeval de onderneming of ondernemingsvereniging niet meer bestaat en geen rechtsopvolger heeft, kan het onderzoek in afwijking van het tweede lid worden gevoerd en de beslissing worden genomen ten aanzien van de natuurlijke persoon alleen.]1
----------
(1)<W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
1° het rechtstreeks of onrechtstreeks bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;
2° het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
3° het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;
4° het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging;
5° het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
§ 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.
§ 3. De bepalingen van paragraaf 1 zijn echter niet van toepassing op:
1° elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
2° elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en
3° elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen,
die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van producten, die bijdragen tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, waarbij een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:
a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;
b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.
§ 4. Het is natuurlijke personen verboden in het kader van de activiteiten van een onderneming of ondernemingsvereniging met één of meer concurrenten te onderhandelen, overeen te komen, te besluiten of onderling af te stemmen met betrekking tot:
1° het vaststellen van de prijzen bij verkoop van producten aan derden;
2° het beperken van de productie of de verkoop van producten;
3° het toewijzen van markten of afnemers.
De inbreuk op het in het eerste lid bedoelde verbod kan enkel worden vastgesteld ingeval de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging deel uitmaakt van een door het Mededingingscollege of de auditeur in dezelfde zaak vastgestelde inbreuk op het verbod bedoeld in de eerste paragraaf door de onderneming of ondernemingsvereniging in het kader van wiens activiteiten de natuurlijke persoon is opgetreden.
Ingeval de onderneming of ondernemingsvereniging niet meer bestaat en geen rechtsopvolger heeft, kan het onderzoek in afwijking van het tweede lid worden gevoerd en de beslissing worden genomen ten aanzien van de natuurlijke persoon alleen.]1
----------
(1)<W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
Bron: Justel
