Artikel IV.52, WER
Art. IV.52.[1 § 1. Het Mededingingscollege kan bij een gemotiveerde beslissing:
1° verklaren dat, op grond van de gegevens die het Mededingingscollege bekend zijn, er voor het Mededingingscollege geen reden bestaat om op te treden;
2° vaststellen dat er een [2 inbreuk op het mededingingsrecht]2 en in voorkomend geval een inbreuk op artikel IV.1, § 4, bestaat, bevelen dat deze beëindigd wordt, desgevallend volgens de door het Mededingingscollege voorgeschreven modaliteiten, en in voorkomend geval een boete opleggen;
[2 2° /1 vaststellen dat een inbreuk op het mededingingsrecht in het verleden is begaan en in voorkomend geval een geldboete opleggen;]2
3° vaststellen dat er geen [2 inbreuk op het mededingingsrecht]2 bestaat, voor zover er geen enkele beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten van de Europese Unie bestaat;
4° vaststellen dat de overeenkomst tussen ondernemingen, het besluit van de ondernemingsvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarop het onderzoek betrekking had, het voorwerp uitmaakt van een verordening van de Raad van de Europese Unie of een verordening van de Europese Commissie waarbij artikel 101, § 1, VWEU buiten toepassing is verklaard of van een koninklijk besluit in de zin van artikel IV.5 en beslissen tot seponering;
5° vaststellen dat de werking van artikel IV.3, tweede lid, of de werking van een koninklijk besluit in de zin van de artikelen IV.4 en IV.5 in een individueel geval vervalt, ingeval de betrokken [2 inbreuk op het mededingingsrecht]2 met artikel IV.1, § 3, onverenigbare gevolgen heeft;
6° vaststellen dat de werking van een verordening in de zin van artikel IV.3, eerste lid, in een individueel geval vervalt, ingeval de betrokken [2 inbreuk op het mededingingsrecht]2 met artikel 101, § 3, VWEU onverenigbare gevolgen heeft op het nationale grondgebied of een gedeelte daarvan, welk gebied alle kenmerken vertoont van een afzonderlijke geografische markt;
7° [2 de aangeboden toezeggingen verbindend verklaren en vaststellen dat er niet langer gronden bestaan voor een optreden van de Belgische Mededingingsautoriteit. Een dergelijke beslissing kan voor een bepaalde periode worden vastgesteld. Ze laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties om het bestaan van inbreuken op het mededingingsrecht voor het verleden vast te stellen, onverlet. De toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij;]2
8° vaststellen dat een beslissing genomen krachtens de artikelen IV.10, § 6, IV.44, § 1, 2°, IV.45, eerste lid, 2°, IV.46, § 2,1°, IV.52, IV.66, IV.69, IV.71 of IV.73 al of niet werd nageleefd en in voorkomend geval bevelen dat de betrokken beslissing, eventueel zoals gewijzigd door het Mededingingscollege, moet worden nageleefd volgens de door het Mededingingscollege voorgeschreven modaliteiten en een boete opleggen. In geval van het niet-naleven van een krachtens artikel IV.69, § 1, opgelegde voorwaarde, waarvan in de betrokken beslissing was gesteld dat bij ontbreken van die voorwaarde de concentratie niet toelaatbaar zou zijn, kan het Mededingingscollege met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging tevens de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel opleggen.
[2 De motivering van de beslissing van het Mededingingscollege is uitdrukkelijk en afdoende.]2
[2 § 1/1. Wanneer het Mededingingscollege een beslissing neemt als bedoeld in de eerste paragraaf, eerste lid, 2°, kan het alle corrigerende structurele of gedragsmaatregelen opleggen die evenredig zijn aan de inbreuk op het mededingingsrecht, en noodzakelijk zijn om hieraan daadwerkelijk een einde te maken. Wanneer het Mededingingscollege de keuze heeft tussen verschillende even effectieve corrigerende maatregelen, geeft het de voorkeur aan de corrigerende maatregel die, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, voor de onderneming of ondernemingsvereniging het minst belastend is.
Het Mededingingscollege kan, in geval van toepassing van het eerste lid, de auditeur vragen schriftelijke opmerkingen over de beoogde corrigerende maatregelen in te dienen. In dat geval kan de betrokken partij schriftelijk antwoorden op deze opmerkingen.
De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen.
Het Mededingingscollege bepaalt de termijnen voor het indienen van de schriftelijke opmerkingen en van het antwoord.
Het Mededingingscollege kan beslissen de betrokken partij en de auditeur te horen.
In geval van toepassing van deze paragraaf kan de voorzitter van het Mededingingscollege de maximumtermijn van twee maanden bedoeld in artikel IV.50, § 1, verlengen met ten hoogste twee maanden.]2
§ 2. De beslissing van het Mededingingscollege over de grond van de zaak kan ten aanzien van een betrokken partij niet steunen op documenten en gegevens die als vertrouwelijk werden erkend ten aanzien van die partij.]1
----------
(1)<W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
(2)<W 2022-02-28/02, art. 34, 104; Inwerkingtreding : 17-03-2022>
1° verklaren dat, op grond van de gegevens die het Mededingingscollege bekend zijn, er voor het Mededingingscollege geen reden bestaat om op te treden;
2° vaststellen dat er een [2 inbreuk op het mededingingsrecht]2 en in voorkomend geval een inbreuk op artikel IV.1, § 4, bestaat, bevelen dat deze beëindigd wordt, desgevallend volgens de door het Mededingingscollege voorgeschreven modaliteiten, en in voorkomend geval een boete opleggen;
[2 2° /1 vaststellen dat een inbreuk op het mededingingsrecht in het verleden is begaan en in voorkomend geval een geldboete opleggen;]2
3° vaststellen dat er geen [2 inbreuk op het mededingingsrecht]2 bestaat, voor zover er geen enkele beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten van de Europese Unie bestaat;
4° vaststellen dat de overeenkomst tussen ondernemingen, het besluit van de ondernemingsvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarop het onderzoek betrekking had, het voorwerp uitmaakt van een verordening van de Raad van de Europese Unie of een verordening van de Europese Commissie waarbij artikel 101, § 1, VWEU buiten toepassing is verklaard of van een koninklijk besluit in de zin van artikel IV.5 en beslissen tot seponering;
5° vaststellen dat de werking van artikel IV.3, tweede lid, of de werking van een koninklijk besluit in de zin van de artikelen IV.4 en IV.5 in een individueel geval vervalt, ingeval de betrokken [2 inbreuk op het mededingingsrecht]2 met artikel IV.1, § 3, onverenigbare gevolgen heeft;
6° vaststellen dat de werking van een verordening in de zin van artikel IV.3, eerste lid, in een individueel geval vervalt, ingeval de betrokken [2 inbreuk op het mededingingsrecht]2 met artikel 101, § 3, VWEU onverenigbare gevolgen heeft op het nationale grondgebied of een gedeelte daarvan, welk gebied alle kenmerken vertoont van een afzonderlijke geografische markt;
7° [2 de aangeboden toezeggingen verbindend verklaren en vaststellen dat er niet langer gronden bestaan voor een optreden van de Belgische Mededingingsautoriteit. Een dergelijke beslissing kan voor een bepaalde periode worden vastgesteld. Ze laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties om het bestaan van inbreuken op het mededingingsrecht voor het verleden vast te stellen, onverlet. De toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij;]2
8° vaststellen dat een beslissing genomen krachtens de artikelen IV.10, § 6, IV.44, § 1, 2°, IV.45, eerste lid, 2°, IV.46, § 2,1°, IV.52, IV.66, IV.69, IV.71 of IV.73 al of niet werd nageleefd en in voorkomend geval bevelen dat de betrokken beslissing, eventueel zoals gewijzigd door het Mededingingscollege, moet worden nageleefd volgens de door het Mededingingscollege voorgeschreven modaliteiten en een boete opleggen. In geval van het niet-naleven van een krachtens artikel IV.69, § 1, opgelegde voorwaarde, waarvan in de betrokken beslissing was gesteld dat bij ontbreken van die voorwaarde de concentratie niet toelaatbaar zou zijn, kan het Mededingingscollege met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging tevens de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel opleggen.
[2 De motivering van de beslissing van het Mededingingscollege is uitdrukkelijk en afdoende.]2
[2 § 1/1. Wanneer het Mededingingscollege een beslissing neemt als bedoeld in de eerste paragraaf, eerste lid, 2°, kan het alle corrigerende structurele of gedragsmaatregelen opleggen die evenredig zijn aan de inbreuk op het mededingingsrecht, en noodzakelijk zijn om hieraan daadwerkelijk een einde te maken. Wanneer het Mededingingscollege de keuze heeft tussen verschillende even effectieve corrigerende maatregelen, geeft het de voorkeur aan de corrigerende maatregel die, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, voor de onderneming of ondernemingsvereniging het minst belastend is.
Het Mededingingscollege kan, in geval van toepassing van het eerste lid, de auditeur vragen schriftelijke opmerkingen over de beoogde corrigerende maatregelen in te dienen. In dat geval kan de betrokken partij schriftelijk antwoorden op deze opmerkingen.
De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen.
Het Mededingingscollege bepaalt de termijnen voor het indienen van de schriftelijke opmerkingen en van het antwoord.
Het Mededingingscollege kan beslissen de betrokken partij en de auditeur te horen.
In geval van toepassing van deze paragraaf kan de voorzitter van het Mededingingscollege de maximumtermijn van twee maanden bedoeld in artikel IV.50, § 1, verlengen met ten hoogste twee maanden.]2
§ 2. De beslissing van het Mededingingscollege over de grond van de zaak kan ten aanzien van een betrokken partij niet steunen op documenten en gegevens die als vertrouwelijk werden erkend ten aanzien van die partij.]1
----------
(1)<W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
(2)<W 2022-02-28/02, art. 34, 104; Inwerkingtreding : 17-03-2022>
Bron: Justel
