Artikel XIII.21, WER
Art. XIII.21. [1 Binnen de grenzen van wat bepaald is in dit boek, oefenen de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de bijzondere raadgevende commissies hun bevoegdheden met de ruimste zelfstandigheid uit.
De voorzitters van de bijzondere raadgevende commissies plegen overleg met de secretaris van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, of, bij diens afwezigheid, de adjunct-secretaris, over :
1° kwesties van gemeenschappelijk belang;
2° in hoever de in de artikelen XIII.5 en XIII.16 voorziene verslagen en inlichtingen ter beschikking van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, van de verschillende bijzondere raadgevende commissies of van het secretariaat gesteld kunnen worden;
3° het ordenen van de werkmethodes, onder meer in het geval van toepassing van artikel XIII.20 § 2.
De secretaris deelt de besluiten van dit overleg mee, respectievelijk aan het dagelijks bestuur van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en aan de bijzondere raadgevende commissies.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-15/44, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 30-04-2014>
De voorzitters van de bijzondere raadgevende commissies plegen overleg met de secretaris van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, of, bij diens afwezigheid, de adjunct-secretaris, over :
1° kwesties van gemeenschappelijk belang;
2° in hoever de in de artikelen XIII.5 en XIII.16 voorziene verslagen en inlichtingen ter beschikking van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, van de verschillende bijzondere raadgevende commissies of van het secretariaat gesteld kunnen worden;
3° het ordenen van de werkmethodes, onder meer in het geval van toepassing van artikel XIII.20 § 2.
De secretaris deelt de besluiten van dit overleg mee, respectievelijk aan het dagelijks bestuur van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en aan de bijzondere raadgevende commissies.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-15/44, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 30-04-2014>
Bron: Justel
