Artikel IV.17, WER

Art. IV.17.[1 § 1. De voorzitter wordt door de Koning benoemd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor een mandaat van zes jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
   De voorzitter vervult de opdrachten die hem door dit boek zijn opgedragen. Hij kan taken delegeren aan de assessor-ondervoorzitter ingeval het taken betreft die hij uitoefent als lid van het Mededingingscollege en, ingeval het andere taken betreft, aan de directeur economische zaken, aan de directeur juridische zaken en aan personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit.
   § 2. In geval van gemotiveerde onbeschikbaarheid worden de taken van de voorzitter waargenomen door het directiecomité. In voorkomend geval worden de taken van de voorzitter van het Mededingingscollege waargenomen door de assessor-ondervoorzitter.
   § 3. Om tot voorzitter te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat slagen voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Dat examen is bedoeld om de kennis en maturiteit te evalueren die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het betrokken ambt. De nadere regels en het programma van het examen worden door de Koning bepaald. De kandidaat brengt verder het bewijs van een nuttige ervaring voor de uitoefening van de functie. Hij moet houder zijn van een diploma van master of licentiaat en een functionele kennis van het Nederlands, het Frans en het Engels bewijzen.
   In voorkomend geval wordt de uitoefening van de functie van voorzitter beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.
   § 4. De voorzitter wordt bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval hij wegens een ernstig en permanent gebrek zijn ambt niet meer behoorlijk kan uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>

  
Bron: Justel