Artikel XIX.9, WER

Art. XIX.9. [1 § 1. Er mag worden overgegaan tot geen andere maatregel of handeling van minnelijke invordering voor het verstrijken van een termijn van veertien kalenderdagen die ingaat op de derde werkdag na de datum van het versturen van de ingebrekestelling, bedoeld in artikel XIX.7, § 2, aan de consument.
   § 2. Wanneer de consument een afbetalingsplan heeft aangevraagd binnen de in de eerste paragraaf bedoelde termijn, mag tot geen andere maatregel of handeling van minnelijke invordering worden overgegaan vooraleer er een beslissing is genomen over deze aanvraag.
   Als de beslissing bedoeld in het eerste lid niet wordt genomen binnen een termijn van dertig kalenderdagen die aanvangt op de eerste werkdag die volgt op de aanvraag van een afbetalingsplan, stoppen de verwijlinteresten vastgelegd in het schadebeding met lopen tot wanneer de beslissing wordt genomen.
   § 3. Wanneer de consument een verzoek tot schuldbemiddeling heeft opgestart bij een minnelijke schuldbemiddelaar of wanneer hij een aanvraag indient voor een procedure van collectieve schuldenregeling binnen de in de eerste paragraaf bedoelde termijn, mag tot geen enkel andere maatregel of handeling van minnelijke invordering worden overgegaan vooraleer een beslissing omtrent zijn aanvraag werd genomen of dat vijfenveertig kalenderdagen zijn verstreken sinds de aanvraag.
   De termijn bedoeld in het eerste lid vangt aan op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de aanvraag werd ingediend bij een minnelijke schuldbemiddelaar of de dag van neerlegging van een verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4 van het Gerechtelijk Wetboek.
   De consument brengt de schuldinvorderaar onmiddellijk op de hoogte van de datum van zijn verzoek tot minnelijke schuldbemiddeling of van zijn verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4 van het Gerechtelijk Wetboek, de contactgegevens van de bemiddelaar en de beslissing die werd genomen, om de maatregelen en handelingen van minnelijke invordering overeenkomstig het eerste lid te laten opschorten.
   § 4. Wanneer de consument zijn schuld op met redenen omklede wijze betwist in overeenstemming met artikel XIX.7, § 2, tweede lid, 7°, mag tot geen andere maatregel of gedraging van minnelijke invordering worden overgegaan vooraleer een beslissing omtrent deze betwisting werd genomen.
   Als de beslissing bedoeld in het eerste lid niet wordt genomen binnen een termijn van dertig kalenderdagen die aanvangt op de eerste werkdag die volgt op de betwisting, stoppen de verwijlinteresten vastgelegd in het schadebeding met lopen tot wanneer de beslissing wordt genomen.
   § 5. Wanneer er meerdere redenen zijn voor de opschorting van de maatregelen en handelingen van minnelijke invordering bedoeld in de paragrafen 1 tot 4, mag de opschorting in totaal een termijn van vijfenveertig kalenderdagen niet overschrijden, die aanvangt op het einde van de in paragraaf 1 bepaalde termijn.
   § 6. De Koning kan de nadere regels vastleggen wat betreft de mededeling van de gegevens en de beslissingen bedoeld in de paragrafen 1 tot 4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2023-05-04/02, art. 4, 121; Inwerkingtreding : 01-09-2023>
  

  
Bron: Justel