Artikel VII.218, WER

Art. VII.218.[1 Onverminderd de andere raadplegingsvereisten die door dit boek zijn opgelegd, oefent de Koning de bevoegdheden uit welke Hem zijn toegekend door de artikelen VII.118, [2 VII.120, VII.122, VII.147/34, VII.147/36 en VII.147/38]2 na raadpleging van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  De koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen VII. 148, VII. 149, VII. 153 en VII. 154 worden door de minister voor advies voorgelegd aan de [3 bijzondere raadgevende commissie Verbruik]3, de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het Begeleidingscomité. De minister bepaalt de termijn binnen welke het advies wordt gegeven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-05-2014 (zie KB 2014-04-19/40, art. 1)>
  (2)<W 2016-04-22/01, art. 34, 038; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<KB 2017-12-13/14, art. 11,11°, 056; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  
Bron: Justel