Artikel XVII.23, WER

Art. XVII.23.[2 § 1. In afwijking van de bepalingen van deze titel, zijn enkel de volgende paragrafen van toepassing in geval van schending van artikel XII.22.
   § 2. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, of in voorkomend geval, de voorzitter van de [4 ondernemingsrechtbank]4, stelt het bestaan vast en beveelt de staking van elke registratie van een domeinnaam door een persoon met woonplaats of vestiging in België, en van elke registratie van een domeinnaam geregistreerd onder het BE-domein, die artikel XII.22 schendt.
   § 3. De voorzitter van de rechtbank kan bevelen dat de houder van de betrokken domeinnaam de registratie ervan doorhaalt of laat doorhalen of de domeinnaam overdraagt of laat overdragen aan de persoon die hij aanwijst.]2
  [1 § 4. De vordering wordt ingesteld op verzoek van elke persoon die een legitiem belang aantoont ten opzichte van de betrokken domeinnaam en die een recht kan laten gelden op één van de [3 in artikel XII.22]3 vermelde tekens.]1
  [2 § 5. De voorzitter van de rechtbank kan eveneens bevelen dat het vonnis geheel of gedeeltelijk, op kosten van de houder van de domeinnaam die in het ongelijk is gesteld, wordt bekendgemaakt in de pers of op een andere door hem bepaalde wijze.
   Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts opgelegd worden indien zij kunnen bijdragen tot de stopzetting van de registratie of de uitwerking ervan.]2
  [1 § 6. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding.
  Zij mag ingesteld worden bij verzoekschrift op tegenspraak. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de rechtbank of bij een aangetekende zending verzonden aan deze griffie.
  De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waaraan een exemplaar van het inleidend verzoekschrift werd gevoegd.
  Op straffe van nietigheid, vermeldt het verzoekschrift :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker;
  3° de naam en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
  4° het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;
  5° de handtekening van de eiser of van zijn advocaat.
  Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
  Elke uitspraak ingevolge een op deze wet gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de minister.
  Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over de voorziening ingeleid tegen elke uitspraak die op grond van deze bepaling is gewezen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>
  (2)<W 2013-12-26/36, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>
  (3)<W 2014-05-15/07, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 31-05-2014>
  (4)<W 2018-04-15/14, art. 252, 059; Inwerkingtreding : 01-11-2018>

  
Bron: Justel