Artikel VI.7/1, WER

Art. VI.7/1. [3 § 1. Elke onderneming rondt het totaalbedrag dat de consument in speciën betaalt, af naar het dichtstbijzijnde veelvoud van vijf cent.
   § 2. Het is de onderneming ook toegelaten het totaalbedrag af te ronden, wanneer de betaling op een andere wijze dan in speciën gebeurt.
   De Koning kan, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de afronding voor betalingen op een andere wijze dan in speciën verplicht stellen, wanneer de vrijwillige afronding ruime toepassing vindt.
   § 3. De bepalingen van de paragrafen 1 en 2 zijn enkel van toepassing voor zover:
   1° de betaling plaatsvindt in de gelijktijdige, fysieke aanwezigheid van de consument en de onderneming;
   2° het totaalbedrag hoger is dan vijf cent;
   3° voldaan is aan de voorwaarden van artikel VI.7/2.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/02, art. 43, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2014; zie KB 2014-09-22/01, art. 1>
  (2)<W 2015-12-18/17, art. 49, 029; Inwerkingtreding : 08-01-2016>
  (3)<W 2019-05-02/28, art. 4, 077; Inwerkingtreding : 01-12-2019>

  
Bron: Justel