Artikel XV.26, WER
Art. XV.26. [1 § 1. Onverminderd de bepalingen in titel 1, hoofdstukken 1 en 3, en in verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, zijn de volgende bepalingen van toepassing op de controle van de in België gevestigde vertrouwensdienstverleners bedoeld in verordening 910/2014 en in boek XII, titel 2.
§ 2. Het Toezichthoudend orgaan is belast met de controle van de vertrouwensdienstverleners bedoeld in de eerste paragraaf.
Het Toezichthoudend orgaan kan een beroep doen op de diensten van een of meer deskundigen om het te helpen in zijn controleopdracht. De aangewezen deskundigen moeten financieel en organisationeel onafhankelijk zijn van de vertrouwensdienstverleners.
§ 3. Wanneer het Toezichthoudend orgaan vaststelt dat een in België gevestigde vertrouwensdienstverlener zich niet houdt aan de eisen van verordening 910/2014, van boek XII, titel 2, of van zijn bijlagen, stelt het hem in gebreke en stelt het een redelijke termijn vast in functie van de aard en de ernst van de tekortkoming, tijdens welke de vertrouwensdienstverlener alle nodige maatregelen dient te hebben getroffen om die tekortkomingen te verhelpen.
§ 4. Indien na afloop van die termijn de nodige maatregelen niet werden getroffen, kan de minister of zijn afgevaardigde:
a) de gekwalificeerde vertrouwensdienstverlener verbieden verder gekwalificeerde vertrouwensdiensten te verlenen en
b) de gekwalificeerde vertrouwensdienstverlener gelasten onmiddellijk de gebruikers van zijn diensten op de hoogte te brengen van het verlies van hun gekwalificeerde status, of
c) de niet-gekwalificeerde vertrouwensdienstververlener verbieden, bij toepassing van artikel 17, paragraaf 3, punt b) van verordening 910/2014, verder niet-gekwalificeerde vertrouwensdiensten te verlenen .]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2016-07-21/40, art. 27, 037; Inwerkingtreding : 28-09-2016 (KB 2016-09-14/06, art. 1)>
§ 2. Het Toezichthoudend orgaan is belast met de controle van de vertrouwensdienstverleners bedoeld in de eerste paragraaf.
Het Toezichthoudend orgaan kan een beroep doen op de diensten van een of meer deskundigen om het te helpen in zijn controleopdracht. De aangewezen deskundigen moeten financieel en organisationeel onafhankelijk zijn van de vertrouwensdienstverleners.
§ 3. Wanneer het Toezichthoudend orgaan vaststelt dat een in België gevestigde vertrouwensdienstverlener zich niet houdt aan de eisen van verordening 910/2014, van boek XII, titel 2, of van zijn bijlagen, stelt het hem in gebreke en stelt het een redelijke termijn vast in functie van de aard en de ernst van de tekortkoming, tijdens welke de vertrouwensdienstverlener alle nodige maatregelen dient te hebben getroffen om die tekortkomingen te verhelpen.
§ 4. Indien na afloop van die termijn de nodige maatregelen niet werden getroffen, kan de minister of zijn afgevaardigde:
a) de gekwalificeerde vertrouwensdienstverlener verbieden verder gekwalificeerde vertrouwensdiensten te verlenen en
b) de gekwalificeerde vertrouwensdienstverlener gelasten onmiddellijk de gebruikers van zijn diensten op de hoogte te brengen van het verlies van hun gekwalificeerde status, of
c) de niet-gekwalificeerde vertrouwensdienstververlener verbieden, bij toepassing van artikel 17, paragraaf 3, punt b) van verordening 910/2014, verder niet-gekwalificeerde vertrouwensdiensten te verlenen .]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2016-07-21/40, art. 27, 037; Inwerkingtreding : 28-09-2016 (KB 2016-09-14/06, art. 1)>
Bron: Justel
