Artikel XV.66/2, WER
Art. XV.66/2.[1 § 1. Onverminderd de andere maatregelen bepaald door de wet en indien op het einde van de in toepassing van artikel XV.31/1 vastgestelde termijn, de vastgestelde tekortkoming niet werd verholpen, kan de minister of de hiertoe specifiek door de minister aangestelde ambtenaar, voor zover de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid hun middelen hebben kunnen laten gelden overeenkomstig paragraaf 2:
1° bekendmaken dat niettegenstaande de termijn bepaald in toepassing van artikel XV.31/1, de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid, zich niet gedragen heeft in overeenstemming met de wettelijke bepalingen waarop de inbreuk werd vastgesteld;
2° voor de termijn die hij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van de beheersactiviteit in de zin van artikel I.16, § 1, 4° tot 6° geheel of gedeeltelijk schorsen of deze activiteit verbieden, indien zij werd uitgeoefend zonder vergunning of zonder verklaring;
3° een administratieve geldboete van een bedrag tussen 100 en 110 000 euro opleggen aan de beheersvennootschap [2 , vermeerderd met de opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdécimes op de strafrechtelijke geldboeten]2, behalve in het geval beoogd in artikel XV.112.
§ 2. Wanneer een van de in paragraaf 1 bepaalde maatregelen beoogd wordt, deelt de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar vooraf aan de betrokken beheersvennootschap, aan de onafhankelijke beheerentiteit, aan de collectieve beheerorganisatie of aan de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee.
Via deze aangetekende zending brengt hij de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid op de hoogte van:
1° de feiten op grond waarvan de procedure werd ingesteld;
2° het feit dat de overtreder de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden, binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar, en dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen;
3° het feit dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman;
4° het feit dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier in te kijken;
5° een kopie van de waarschuwing, bedoeld in artikel XV.31/1.
§ 3. De persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder de krachtens artikel XI.273/17 vereiste vergunning of zonder de krachtens artikel XI.273/18 vereiste verklaring, die handelingen stelt of beslissingen neemt in strijd met de schorsing of met het verbod, is aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.
Wanneer de persoon bedoeld in het eerste lid een rechtspersoon is, zijn de leden van de bestuurs- en beheersorganen en de personen belast met het beheer die handelingen stellen of beslissingen nemen in strijd met de schorsing of het verbod, hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.
De beslissing tot schorsing of tot verbod wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De daarmee strijdige handelingen en beslissingen zijn nietig.
§ 4. De beslissingen van de minister bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, hebben ten aanzien van de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of van de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid gevolgen te rekenen vanaf hun betekening aan bedoelde vennootschap, entiteit, organisatie of persoon bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, en ten aanzien van derden, te rekenen vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 1.
§ 5. Bij het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 2, tweede lid, 2°, of, desgevallend, na het schriftelijke of mondelinge verweer door de overtreder of zijn raadsman, kan de specifiek hiertoe aangestelde ambtenaar aan de overtreder een administratieve geldboete opleggen op basis van paragraaf 1.
De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen, mag worden uitgevoerd bij het verstrijken van een maand, te rekenen vanaf de dag van kennisgeving bedoeld in paragraaf 6.
§ 6. De beslissing wordt via aangetekende zending ter kennis gebracht van de overtreder.
§ 7. De in paragraaf 5 bedoelde ambtenaar kan geen administratieve boete opleggen na een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop het feit werd begaan, de eventuele beroepsprocedures niet inbegrepen.]1
----------
(1)<W 2017-06-08/13, art. 116, 049; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
(2)<W 2024-05-03/21, art. 36, 135; Inwerkingtreding : 10-06-2024>
1° bekendmaken dat niettegenstaande de termijn bepaald in toepassing van artikel XV.31/1, de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid, zich niet gedragen heeft in overeenstemming met de wettelijke bepalingen waarop de inbreuk werd vastgesteld;
2° voor de termijn die hij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van de beheersactiviteit in de zin van artikel I.16, § 1, 4° tot 6° geheel of gedeeltelijk schorsen of deze activiteit verbieden, indien zij werd uitgeoefend zonder vergunning of zonder verklaring;
3° een administratieve geldboete van een bedrag tussen 100 en 110 000 euro opleggen aan de beheersvennootschap [2 , vermeerderd met de opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdécimes op de strafrechtelijke geldboeten]2, behalve in het geval beoogd in artikel XV.112.
§ 2. Wanneer een van de in paragraaf 1 bepaalde maatregelen beoogd wordt, deelt de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar vooraf aan de betrokken beheersvennootschap, aan de onafhankelijke beheerentiteit, aan de collectieve beheerorganisatie of aan de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee.
Via deze aangetekende zending brengt hij de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid op de hoogte van:
1° de feiten op grond waarvan de procedure werd ingesteld;
2° het feit dat de overtreder de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden, binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar, en dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen;
3° het feit dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman;
4° het feit dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier in te kijken;
5° een kopie van de waarschuwing, bedoeld in artikel XV.31/1.
§ 3. De persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder de krachtens artikel XI.273/17 vereiste vergunning of zonder de krachtens artikel XI.273/18 vereiste verklaring, die handelingen stelt of beslissingen neemt in strijd met de schorsing of met het verbod, is aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.
Wanneer de persoon bedoeld in het eerste lid een rechtspersoon is, zijn de leden van de bestuurs- en beheersorganen en de personen belast met het beheer die handelingen stellen of beslissingen nemen in strijd met de schorsing of het verbod, hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.
De beslissing tot schorsing of tot verbod wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De daarmee strijdige handelingen en beslissingen zijn nietig.
§ 4. De beslissingen van de minister bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, hebben ten aanzien van de beheersvennootschap, de onafhankelijke beheerentiteit, de collectieve beheerorganisatie of van de persoon bedoeld in artikel XV.31/1, § 1, eerste lid gevolgen te rekenen vanaf hun betekening aan bedoelde vennootschap, entiteit, organisatie of persoon bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, en ten aanzien van derden, te rekenen vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 1.
§ 5. Bij het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 2, tweede lid, 2°, of, desgevallend, na het schriftelijke of mondelinge verweer door de overtreder of zijn raadsman, kan de specifiek hiertoe aangestelde ambtenaar aan de overtreder een administratieve geldboete opleggen op basis van paragraaf 1.
De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen, mag worden uitgevoerd bij het verstrijken van een maand, te rekenen vanaf de dag van kennisgeving bedoeld in paragraaf 6.
§ 6. De beslissing wordt via aangetekende zending ter kennis gebracht van de overtreder.
§ 7. De in paragraaf 5 bedoelde ambtenaar kan geen administratieve boete opleggen na een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop het feit werd begaan, de eventuele beroepsprocedures niet inbegrepen.]1
----------
(1)<W 2017-06-08/13, art. 116, 049; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
(2)<W 2024-05-03/21, art. 36, 135; Inwerkingtreding : 10-06-2024>
Bron: Justel
