Artikel IV.87, WER
Art. IV.87. [1 § 1. Ingeval de oplossing van een geschil afhangt van de interpretatie van bepalingen van dit boek, kan het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt de uitspraak uitstellen en een prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Cassatie.
De beslissing om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Cassatie schorst de termijnen en de procedure voor het rechtscollege dat de vraag stelt vanaf de dag waarop de beslissing werd genomen tot de dag waarop dit rechtscollege het antwoord van het Hof van Cassatie ontvangt.
Tegen de beslissing van een rechtscollege om een prejudiciële vraag te stellen of een dergelijke vraag niet te stellen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.
§ 2. De griffier van het Hof van Cassatie stelt de partijen, de Belgische Mededingingsautoriteit, de minister en, in het geval van toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, de Europese Commissie onverwijld in kennis van de prejudiciële vraag.
De griffier van het Hof van Cassatie nodigt de partijen, de Belgische Mededingingsautoriteit, de minister en de Europese Commissie uit om hun eventuele schriftelijke opmerkingen over te zenden, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een maand na de kennisgeving van de prejudiciële vraag. Zij kunnen elk vragen om gehoord te worden en het proceduredossier ter plaatse raadplegen of vragen dat hen een afschrift wordt toegezonden.
§ 3. Het Hof van Cassatie kan de prejudiciële vraag herformuleren. Het Hof doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
§ 4. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten zich, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vraag is gesteld, voegen naar het arrest dat het Hof van Cassatie heeft gewezen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
De beslissing om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Cassatie schorst de termijnen en de procedure voor het rechtscollege dat de vraag stelt vanaf de dag waarop de beslissing werd genomen tot de dag waarop dit rechtscollege het antwoord van het Hof van Cassatie ontvangt.
Tegen de beslissing van een rechtscollege om een prejudiciële vraag te stellen of een dergelijke vraag niet te stellen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.
§ 2. De griffier van het Hof van Cassatie stelt de partijen, de Belgische Mededingingsautoriteit, de minister en, in het geval van toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, de Europese Commissie onverwijld in kennis van de prejudiciële vraag.
De griffier van het Hof van Cassatie nodigt de partijen, de Belgische Mededingingsautoriteit, de minister en de Europese Commissie uit om hun eventuele schriftelijke opmerkingen over te zenden, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een maand na de kennisgeving van de prejudiciële vraag. Zij kunnen elk vragen om gehoord te worden en het proceduredossier ter plaatse raadplegen of vragen dat hen een afschrift wordt toegezonden.
§ 3. Het Hof van Cassatie kan de prejudiciële vraag herformuleren. Het Hof doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
§ 4. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten zich, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vraag is gesteld, voegen naar het arrest dat het Hof van Cassatie heeft gewezen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
Bron: Justel
