Artikel XX.49/1, WER

Art. XX.49/1. [1 § 1. Als de schuldenaar of een van zijn organen een kennelijk grove fout heeft begaan, kan de rechtbank of als spoed vereist is de voorzitter van de rechtbank, voor de duur van de opschorting een voorlopige bewindvoerder aanstellen die in de plaats treedt van de schuldenaar en zijn organen voor de duur van de opschorting.
   § 2. De rechtbank doet uitspraak op verzoek van elke belanghebbende of van het openbaar ministerie in het vonnis dat de procedure van de gerechtelijke reorganisatie of van overdracht onder gerechtelijk gezag opent of op tegensprekelijk verzoekschrift, dat in het register wordt neergelegd, in een later vonnis, na de middelen van de schuldenaar en het verslag van de gedelegeerd rechter te hebben gehoord.
   Wanneer de schuldenaar aanvoert dat de fouten te wijten zijn aan een andere welbepaalde natuurlijke persoon of rechtspersoon, moet hij deze persoon in gedwongen tussenkomst oproepen.
   § 3. Op elk ogenblik tijdens de opschorting kan de rechtbank, die op dezelfde wijze wordt aangezocht en uitspraak doet, op verslag van de voorlopige bewindvoerder, de met toepassing van de paragrafen 1 en 2 genomen beslissing intrekken of de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder wijzigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2023-06-07/07, art. 68, 122; Inwerkingtreding : 01-09-2023>
  

  
Bron: Justel