Artikel IV.84, WER
Art. IV.84.[1 § 1. De omzet bedoeld in de artikelen IV.79 en IV.82 is
1° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen en gestopt zijn voor het in werking treden van deze wet, de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing;
2° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen vanaf het in werking treden van deze wet, de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing;
3° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen voor het in werking treden van deze wet en verdergezet of herhaald zijn vanaf het in werking treden van deze wet:
a) de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing, voor de inbreukperiode voor het in werking treden van deze wet;
b) de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing, voor de inbreukperiode vanaf het in werking treden van deze wet,
zonder dat het totale bedrag van de boete evenwel meer dan 10 % kan bedragen van de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is, wanneer de inbreuk betrekking heeft op misbruik van een positie van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1, de in de artikelen IV.79 [2 , IV.80, § 2,]2 en IV.82 bedoelde omzet, de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.
§ 3. De in aanmerking te nemen omzet van een onderneming is gelijk aan de som van de omzetcijfers van alle ondernemingen die een economische eenheid vormen zoals bepaald in artikel IV.8, § 4. Voor de overheidsondernemingen bedoeld in artikel IV.12, is de in aanmerking te nemen omzet evenwel deze van alle ondernemingen die een economische eenheid vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht wie het kapitaal ervan bezit of welke regels van bestuurlijk toezicht daarop van toepassing zijn.
De omzet omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van producten door de onderneming in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen. Bij de omzet wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in artikel IV.8, § 4, bedoelde ondernemingen.
[3 ...]3]1
[3 § 4. Voor ondernemingsverenigingen is de omzet de som van de omzet van elk lid van de vereniging dat actief is op de betrokken markt. De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming, wat de betaling van de geldboete betreft, mag echter niet meer bedragen dan 10 % van haar omzet gerealiseerd in het boekjaar dat aan de beslissing voorafgaat in geval van inbreuken op het mededingingsrecht en niet meer bedragen dan 1 % van haar omzet gerealiseerd in het boekjaar dat aan de beslissing voorafgaat in geval van geldboeten opgelegd in het kader van artikel IV.82, § 1.".
Wanneer een geldboete wordt opgelegd aan een ondernemingsvereniging rekening houdend met de omzet van haar leden en deze vereniging insolvent is, is zij verplicht om van haar leden bijdragen te vragen om de geldboete te betalen.
Wanneer de bijdragen bedoeld in het tweede lid niet volledig betaald werden aan de ondernemingsvereniging binnen de termijn bepaald door de auditeur-generaal, kan deze de betaling van de geldboete rechtstreeks eisen van elke onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de besluitvormingsorganen van de vereniging.
Nadat om de betaling werd verzocht overeenkomstig het derde lid en wanneer dit nodig is om de volledige betaling van de geldboete te waarborgen, kan de auditeur-generaal de betaling van het uitstaande bedrag van de geldboete eisen van elk lid van de vereniging dat actief was op de markt waarop de inbreuk is gepleegd.
Wanneer de auditeur-generaal de betaling van het onbetaalde bedrag vraagt aan de leden van de vereniging op basis van het derde en vierde lid, houdt hij rekening met de relatieve grootte van de tot de vereniging behorende ondernemingen en in het bijzonder met de toestand van kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.
De auditeur-generaal kan evenwel niet de betaling bedoeld in het derde en vierde lid eisen van ondernemingen die aantonen dat zij het inbreukbesluit van de vereniging niet hebben toegepast en hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij voor de opening van het onderzoek er zich actief van hebben gedistantieerd.
Wanneer een geldboete niet alleen aan de ondernemingsvereniging, maar ook aan haar leden wordt opgelegd, wordt de omzet van de leden aan wie een geldboete wordt opgelegd niet in aanmerking genomen bij de berekening van de geldboete van de vereniging.]3
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
(2)<W 2021-02-02/06, art. 5, 096; Inwerkingtreding : 21-02-2021>
(3)<W 2022-02-28/02, art. 70, 104; Inwerkingtreding : 17-03-2022>
1° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen en gestopt zijn voor het in werking treden van deze wet, de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing;
2° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen vanaf het in werking treden van deze wet, de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing;
3° voor de inbreuken die een aanvang hebben genomen voor het in werking treden van deze wet en verdergezet of herhaald zijn vanaf het in werking treden van deze wet:
a) de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing, voor de inbreukperiode voor het in werking treden van deze wet;
b) de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing, voor de inbreukperiode vanaf het in werking treden van deze wet,
zonder dat het totale bedrag van de boete evenwel meer dan 10 % kan bedragen van de totale wereldwijde omzet behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is, wanneer de inbreuk betrekking heeft op misbruik van een positie van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1, de in de artikelen IV.79 [2 , IV.80, § 2,]2 en IV.82 bedoelde omzet, de totale omzet op de nationale markt en bij de export, behaald tijdens het boekjaar voorafgaand aan de beslissing.
§ 3. De in aanmerking te nemen omzet van een onderneming is gelijk aan de som van de omzetcijfers van alle ondernemingen die een economische eenheid vormen zoals bepaald in artikel IV.8, § 4. Voor de overheidsondernemingen bedoeld in artikel IV.12, is de in aanmerking te nemen omzet evenwel deze van alle ondernemingen die een economische eenheid vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht wie het kapitaal ervan bezit of welke regels van bestuurlijk toezicht daarop van toepassing zijn.
De omzet omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van producten door de onderneming in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen. Bij de omzet wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in artikel IV.8, § 4, bedoelde ondernemingen.
[3 ...]3]1
[3 § 4. Voor ondernemingsverenigingen is de omzet de som van de omzet van elk lid van de vereniging dat actief is op de betrokken markt. De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming, wat de betaling van de geldboete betreft, mag echter niet meer bedragen dan 10 % van haar omzet gerealiseerd in het boekjaar dat aan de beslissing voorafgaat in geval van inbreuken op het mededingingsrecht en niet meer bedragen dan 1 % van haar omzet gerealiseerd in het boekjaar dat aan de beslissing voorafgaat in geval van geldboeten opgelegd in het kader van artikel IV.82, § 1.".
Wanneer een geldboete wordt opgelegd aan een ondernemingsvereniging rekening houdend met de omzet van haar leden en deze vereniging insolvent is, is zij verplicht om van haar leden bijdragen te vragen om de geldboete te betalen.
Wanneer de bijdragen bedoeld in het tweede lid niet volledig betaald werden aan de ondernemingsvereniging binnen de termijn bepaald door de auditeur-generaal, kan deze de betaling van de geldboete rechtstreeks eisen van elke onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de besluitvormingsorganen van de vereniging.
Nadat om de betaling werd verzocht overeenkomstig het derde lid en wanneer dit nodig is om de volledige betaling van de geldboete te waarborgen, kan de auditeur-generaal de betaling van het uitstaande bedrag van de geldboete eisen van elk lid van de vereniging dat actief was op de markt waarop de inbreuk is gepleegd.
Wanneer de auditeur-generaal de betaling van het onbetaalde bedrag vraagt aan de leden van de vereniging op basis van het derde en vierde lid, houdt hij rekening met de relatieve grootte van de tot de vereniging behorende ondernemingen en in het bijzonder met de toestand van kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.
De auditeur-generaal kan evenwel niet de betaling bedoeld in het derde en vierde lid eisen van ondernemingen die aantonen dat zij het inbreukbesluit van de vereniging niet hebben toegepast en hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij voor de opening van het onderzoek er zich actief van hebben gedistantieerd.
Wanneer een geldboete niet alleen aan de ondernemingsvereniging, maar ook aan haar leden wordt opgelegd, wordt de omzet van de leden aan wie een geldboete wordt opgelegd niet in aanmerking genomen bij de berekening van de geldboete van de vereniging.]3
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2019-05-02/34, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
(2)<W 2021-02-02/06, art. 5, 096; Inwerkingtreding : 21-02-2021>
(3)<W 2022-02-28/02, art. 70, 104; Inwerkingtreding : 17-03-2022>
Bron: Justel
