Artikel XV.61, WER

Art. XV.61.[1 § 1. [3 Wanneer de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren inbreuken]3 bedoeld in artikel XV.2, § 1, vaststellen, kunnen [2 de door de minister aangestelde ambtenaren]2 een geldsom voorstellen waarvan de vrijwillige betaling door de overtreder de strafvordering doet vervallen.
  De overtreder krijgt in dat geval de mogelijkheid om elk proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk waarop het voorstel betrekking heeft vooraf in te zien en zich daarvan een afschrift te doen afgeven.
  De tarieven alsook de betalings- en inningswijzen van deze transactie worden door de Koning vastgesteld.
  De geldsom bedoeld in het eerste lid mag niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete die wegens de vastgestelde inbreuk kan worden opgelegd, verhoogd met de opdeciemen.
  § 2. In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt het proces-verbaal pas toegezonden aan de procureur des Konings als de overtreder niet is ingegaan op het voorstel tot transactie of de voorgestelde geldsom niet heeft betaald binnen de daarvoor bepaalde termijn.
  § 3 De binnen de aangegeven termijn uitgevoerde betaling doet de strafvordering vervallen, behalve indien tevoren een klacht gericht werd aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter verzocht werd een onderzoek in te stellen of indien het feit bij de rechtbank aanhangig gemaakt werd. In deze gevallen worden de betaalde bedragen aan de overtreder teruggestort.
  [...]]1
  [4 § 4. De beslissing tot het voorstellen van een geldsom zoals bedoeld in paragraaf 1 kan, voor wat de inbreuken bedoeld in XV.83, 15° /1, betreft, openbaar worden gemaakt. De openbaarmaking, in voorkomend geval, is niet-nominatief indien ze niet opweegt tegen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopende strafrechtelijke procedure in het gedrang dreigt te brengen of een onevenredig nadeel dreigt te berokkenen aan de betrokken personen of ondernemingen.]4
  [5 § 5. Waar passend wordt voor het bepalen van de geldsom bedoeld in § 1, rekening gehouden met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:
   1° de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;
   2° de door de onderneming genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen;
   3° de eerdere inbreuken van de onderneming;
   4° de door de onderneming als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is;
   5° de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme;
   6° de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak.]5
  [6 § 6. Wanneer toepassing wordt gemaakt van paragraaf 1 voor de processen-verbaal die een inbreuk op de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, vaststellen en voor zover de overtreder de goederen heeft afgestaan aan de Schatkist, stelt de in artikel XV.2 of XV.25/1 bedoelde ambtenaar de benadeelde partij, indien gekend, of haar vertegenwoordiger op de hoogte van het bestaan van de inbreuk, en stelt deze in kennis van de werkelijke of geraamde hoeveelheid en van de werkelijke of vermoede aard van de goederen waarvan afstand is gedaan vooraleer de transactie aan de overtreder wordt voorgesteld.]6
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-11-20/02, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 12-12-2013 (zie KB 2013-12-08/01, art. 6)>
  (2)<W 2016-06-29/01, art. 43, 036; Inwerkingtreding : 16-07-2016>
  (3)<W 2017-04-18/03, art. 25, 046; Inwerkingtreding : 04-05-2017>
  (4)<W 2021-11-28/08, art. 15, 102; Inwerkingtreding : 25-12-2021>
  (5)<W 2022-05-08/01, art. 35, 107; Inwerkingtreding : 28-05-2022>
  (6)<W 2023-11-05/07, art. 56, 123; Inwerkingtreding : 21-12-2023>

  
Bron: Justel