Artikel XV.6/2, WER

Art. XV.6/2. [1 Wanneer een onderzoeksmaatregel of maatregel tot vaststelling van een inbreuk ten aanzien van de beoefenaar van een vrij beroep wordt beslist en deze maatregel betrekking heeft op informatie of gegevens die gedekt zijn door een beroepsgeheim, gebeurt zulks uitsluitend in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de persoon die het tuchtrechtelijke gezag ten aanzien van die beoefenaar uitoefent of nadat die persoon behoorlijk werd opgeroepen, opdat deze zou oordelen of, en in voorkomend geval in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en documenten verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim.
   Bovendien wordt die maatregel ten uitvoer gelegd met inachtneming van het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de cliënt van de beoefenaar van een vrij beroep.
   De dossiers en andere documenten van de beoefenaar van het vrij beroep die gedekt zijn door een beroepsgeheim, kunnen niet in beslag worden genomen. Er kan een afschrift van worden gemaakt dat door de beoefenaar van een vrij beroep voor eensluidend kan worden verklaard, onder voorbehoud van het eerste en tweede lid en met inachtneming van het beroepsgeheim.
   De vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid kan aan de overheden die deze maatregelen hebben uitgevaardigd al zijn opmerkingen betreffende het eerbiedigen van het beroepsgeheim richten. De akten van beslag en de processen-verbaal van visitatie vermelden op straffe van nietigheid de aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid of het feit dat zij op correcte wijze werd uitgenodigd, alsook de opmerkingen die de vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid maakte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2023-05-04/02, art. 5, 121; Inwerkingtreding : 01-09-2023>
  

  
Bron: Justel