Artikel VII.153, WER

Art. VII.153.[1 § 1. Volgens de regels die de Koning bepaalt, mag de Bank de inlichtingen slechts meedelen aan :
  1° de personen bedoeld [2 in de artikelen VII. 119, § 1, 1° tot 3°, 6° tot 8°, 10° en 11° en VII.147/35, 1° tot 3°, 6° tot 8°, 10° en 11°]2 ;
  2° de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid, 4°, in de mate dat deze personen ook beschikken over een vergunning als kredietgever;
  3° de personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid, 9°, maar enkel met betrekking tot de gegevens van de kredietovereenkomsten die zij op grond van hun activiteit van minnelijke invordering van schulden daadwerkelijk hebben overgenomen;
  4° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken.
  De buitenlandse kredietcentrales kunnen eveneens mededeling krijgen van de inlichtingen opgenomen in de Centrale, op voorwaarde dat hun doeleinden, de geregistreerde gegevens en de bescherming die zij waarborgen op het vlak van de persoonlijke levenssfeer, gelijkwaardig zijn met die van de Centrale en dat zij hun gegevens, op basis van wederkerigheid, aan de Centrale verstrekken.
  De Koning kan, in voorkomend geval, per categorie van personen die mededeling van de in de Centrale opgenomen inlichtingen kunnen krijgen, de mededeling van deze inlichtingen beperken tot bepaalde gegevens of/ de mededeling van bepaalde inlichtingen uitsluiten.
  § 2. De inlichtingen die door de Bank worden medegedeeld mogen enkel gebruikt worden in het raam van het verstrekken van of het beheer van kredieten of betalingsdiensten, die van aard zijn het privévermogen van een natuurlijk persoon te bezwaren en waarvan de uitvoering op het privévermogen kan voortgezet worden.
  Deze inlichtingen mogen niet worden gebruikt voor commerciële prospectiedoeleinden.
  De personen bedoeld in artikel VII. 119, § 1, eerste lid,1° en 2° zijn, in voorkomend geval en onder hun verantwoordelijkheid, gemachtigd de kredietbemiddelaar over het geglobaliseerde antwoord van de raadpleging in te lichten, in zoverre de raadpleging heeft plaatsgevonden op basis van een concrete kredietaanvraag waarvoor deze kredietbemiddelaar daden van kredietbemiddeling stelt. [2 Dit geglobaliseerde resultaat kan enkel betrekking hebben op het aantal kredietovereenkomsten, de som van de geregistreerde kredietbedragen en, in geval van een kredietweigering op grond van artikel VII.77, § 2, tweede lid, de vermelding dat de weigering gesteund is op de toepassing van deze bepaling.]2 De kredietbemiddelaar kan deze gegevens slechts gebruiken met het oog op het nakomen van zijn verplichtingen bedoeld in de artikelen VII. 69 tot VII. 71, VII. 74 en VII. 75. Eens het kredietdossier is afgesloten door de kredietgever is het geglobaliseerde antwoord niet langer beschikbaar.
  De kredietbemiddelaar mag aan de consument of, desgevallend, aan de zekerheidssteller niet vragen om zijn toegangsrecht tot de Centrale uit te oefenen met het oog op het hem overhandigen van het bekomen antwoord.
  [3 § 2/1. In afwijking van paragraaf 2, zijn de personen bedoeld in artikel VII.119, § 1, 1° en 2°, evenals de personen bedoeld in artikel VII.147/35, § 1, 1° en 2°, in voorkomend geval en onder hun verantwoordelijkheid, gemachtigd de verbonden agenten die tevens de hoedanigheid van agent in bank- en beleggingsdiensten bezitten, over de inlichtingen die door de Bank worden meegedeeld te informeren, in zoverre de raadpleging heeft plaatsgevonden op basis van een concrete kredietaanvraag waarvoor deze kredietbemiddelaar daden van kredietbemiddeling stelt.]3
  § 3. De personen die inlichtingen van de Centrale hebben verkregen moeten de nodige maatregelen treffen om het vertrouwelijk karakter van die inlichtingen te waarborgen.
  § 4. [3 Onverminderd de toepassing van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, is de Bank gemachtigd de in de Centrale geregistreerde gegevens te gebruiken voor wetenschappelijke of statistische doeleinden of in het raam van haar activiteiten uitgevoerd overeenkomstig de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, alsmede om deze gegevens voor wetenschappelijke of statistische doeleinden door te geven in een vorm waarin individuele natuurlijke personen niet langer kunnen worden geïdentificeerd door de ontvanger van de gegevens. Het gebruik en de overdracht van de gegevens bedoeld in onderhavige paragraaf gebeurt onder gepseudonimiseerde vorm.]3]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/39, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 2)>
  (2)<W 2016-04-22/01, art. 26, 038; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2023-07-31/04, art. 7, 130; Inwerkingtreding : 01-01-2024>

  
Bron: Justel