Artikel XIX.4, WER

Art. XIX.4. [1 In geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de schuld na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel XIX.2, § 1, kan geen enkele andere betaling dan deze hierna vermeld worden gevorderd van de consument:
   1° de verwijlinteresten die niet hoger mogen zijn dan de interest tegen de referentie-interestvoet vermeerderd met acht procentpunten bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Deze interesten worden berekend op de nog te betalen som, en/of;
   2° een forfaitaire vergoeding, in zoverre ze uitdrukkelijk bepaald is, waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan:
   a) 20 euro als het verschuldigde saldo lager dan of gelijk aan 150 euro is;
   b) 30 euro vermeerderd met 10 % van het verschuldigde bedrag op de schijf tussen 150,01 en 500 euro als het verschuldigde saldo tussen 150,01 en 500 euro is;
   c) 65 euro vermeerderd met 5 % van het verschuldigde bedrag op de schijf boven 500 euro met een maximum van 2000 euro als het verschuldigde saldo hoger dan 500 euro is.
   De bedragen bedoeld in het eerste lid zijn bestemd om enerzijds de verwijlinteresten van de schuld, en anderzijds alle kosten van de minnelijke invordering van de onbetaalde schuld te dekken.
   Is verboden en wordt voor niet geschreven gehouden, elk schadebeding dat bedragen bevat die niet bepaald zijn in het eerste lid.
   Dit artikel geldt onverminderd artikel VI.83, 24°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2023-05-04/02, art. 4, 121; Inwerkingtreding : 01-09-2023>
  

  
Bron: Justel