Artikel XVII.21/1, WER
Art. XVII.21/1.[1 § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de arbeidsrechtbank, stelt de voorzitter van de [2 ondernemingsrechtbank]2 het bestaan vast en beveelt hij de staking van elk onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim in de zin van artikel XI.332/4, of, indien van toepassing, verbiedt hij het onrechtmatige gebruik of de onrechtmatige openbaarmaking van het bedrijfsgeheim in de zin van dat artikel.
§ 2. Tot kennisneming van de vordering bedoeld in paragraaf 1 is alleen bevoegd:
1° de voorzitter van de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft in het rechtsgebied waarin het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim plaatsvond of, naar keuze van de eiser, de voorzitter van de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarin de verweerder of een van de verweerders zijn woon- of verblijfplaats heeft;
2° de voorzitter van de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarin de eiser zijn woon- of verblijfplaats heeft, ingeval de verweerder, of een van de verweerders, in het Rijk geen woon- of verblijfplaats heeft.
§ 3. Elke vordering tot staking van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, bedoeld in paragraaf 1, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel [3 XVII.1/4]3 wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens paragrafen 1 en 2 bevoegde rechtbank gebracht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2018-07-30/18, art. 25, 064; Inwerkingtreding : 24-08-2018>
(2)<W 2018-04-15/14, art. 252, 059; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
(3)<W 2024-04-21/10, art. 3, 134; Inwerkingtreding : 10-06-2024>
§ 2. Tot kennisneming van de vordering bedoeld in paragraaf 1 is alleen bevoegd:
1° de voorzitter van de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft in het rechtsgebied waarin het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim plaatsvond of, naar keuze van de eiser, de voorzitter van de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarin de verweerder of een van de verweerders zijn woon- of verblijfplaats heeft;
2° de voorzitter van de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarin de eiser zijn woon- of verblijfplaats heeft, ingeval de verweerder, of een van de verweerders, in het Rijk geen woon- of verblijfplaats heeft.
§ 3. Elke vordering tot staking van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, bedoeld in paragraaf 1, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel [3 XVII.1/4]3 wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens paragrafen 1 en 2 bevoegde rechtbank gebracht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2018-07-30/18, art. 25, 064; Inwerkingtreding : 24-08-2018>
(2)<W 2018-04-15/14, art. 252, 059; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
(3)<W 2024-04-21/10, art. 3, 134; Inwerkingtreding : 10-06-2024>
Bron: Justel
