Artikel XX.75/2, WER

Art. XX.75/2. [1 § 1. Onverminderd de betaling van de interest die hen conventioneel of wettelijk op hun schuldvorderingen verschuldigd is, kan het plan in de opschorting voorzien van de uitoefening van de bestaande rechten van de buitengewone schuldeisers in de opschorting, voor een duur die vierentwintig maanden niet mag overschrijden vanaf het vonnis van homologatie bedoeld in artikel XX.79.
   Het plan kan onder dezelfde voorwaarden in een buitengewone verlenging van die opschorting voorzien voor een termijn van maximum twaalf maanden. In dit geval bepaalt het plan dat bij het verstrijken van de eerste termijn die voor de opschorting is bepaald, de schuldenaar aan de rechtbank, nadat zijn schuldeiser is gehoord, het bewijs moet leveren dat de financiële toestand en verwachte inkomsten van de onderneming na het verstrijken van deze periode de integrale terugbetaling van de betrokken buitengewone schuldeisers in de opschorting redelijkerwijze mogelijk maken, en dat bij ontstentenis van dit bewijs de rechtbank beveelt dat een einde wordt gemaakt aan die opschorting.
   Behoudens hun individuele toestemming of een minnelijk akkoord gesloten overeenkomstig artikel XX.38 of XX.65, waarvan een kopie is gevoegd bij het plan op het ogenblik van de neerlegging in het register, mag het plan geen enkele andere maatregel bevatten die de rechten van die schuldeisers aantast.
   § 2. De buitengewone schuldeisers in de opschorting worden slechts voor hun effectief gewaarborgd deel van de vordering als buitengewone schuldeisers in de opschorting beschouwd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2023-06-07/07, art. 108, 122; Inwerkingtreding : 01-09-2023>
  

  
Bron: Justel