Artikel XI.74, WER
Art. XI.74.[1 § 1. In de bij artikel XI.72 bepaalde gevallen, die vermeld in het eerste lid, 1° en 7°, van die bepaling uitgezonderd, wint de minister vooraf advies in van het Instituut voor Octrooigemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/3, § 1.
Wanneer op grond van artikel XI.73 om een nieuwe inschrijving wordt verzocht, wint de minister vooraf advies in van het Instituut indien een tuchtmaatregel de reden van doorhaling vormt, of van de Commissie tot erkenning van de gemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/1, indien een tuchtmaatregel niet de reden van doorhaling vormt.
§ 2. Indien het Instituut of de Commissie tot erkenning van de gemachtigden in de omstandigheden bedoeld in paragraaf 1 overweegt een negatief advies uit te brengen, stelt het de belanghebbende bij een aangetekende zending, en minstens twintig werkdagen vooraf, in kennis van de vergadering waarop de zaak zal worden behandeld. De belanghebbende kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advocaat of door een erkende gemachtigde.
Het advies wordt samen met het dossier aan de minister doorgezonden. Indien het Instituut zijn advies niet binnen drie maanden na de verwijzing verstrekt, wordt dit als in het voordeel van de belanghebbende beschouwd.
§ 3. De beslissingen tot doorhaling en tot weigering van een nieuwe inschrijving alsmede die waarbij de minister van het advies van het Instituut of de Commissie tot erkenning van de gemachtigden afwijkt, dienen met redenen te worden omkleed.
De minister brengt zijn beslissing tot doorhaling, nieuwe inschrijving of weigering van zulke inschrijving onverwijld ter kennis van de belanghebbende. Hij gaat over tot de doorhaling of tot de nieuwe inschrijving, naargelang van het geval, binnen de maand na de ontvangst van het advies.]1
----------
(1)<W 2018-07-08/06, art. 20, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2020>
Wanneer op grond van artikel XI.73 om een nieuwe inschrijving wordt verzocht, wint de minister vooraf advies in van het Instituut indien een tuchtmaatregel de reden van doorhaling vormt, of van de Commissie tot erkenning van de gemachtigden, bedoeld in artikel XI.75/1, indien een tuchtmaatregel niet de reden van doorhaling vormt.
§ 2. Indien het Instituut of de Commissie tot erkenning van de gemachtigden in de omstandigheden bedoeld in paragraaf 1 overweegt een negatief advies uit te brengen, stelt het de belanghebbende bij een aangetekende zending, en minstens twintig werkdagen vooraf, in kennis van de vergadering waarop de zaak zal worden behandeld. De belanghebbende kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advocaat of door een erkende gemachtigde.
Het advies wordt samen met het dossier aan de minister doorgezonden. Indien het Instituut zijn advies niet binnen drie maanden na de verwijzing verstrekt, wordt dit als in het voordeel van de belanghebbende beschouwd.
§ 3. De beslissingen tot doorhaling en tot weigering van een nieuwe inschrijving alsmede die waarbij de minister van het advies van het Instituut of de Commissie tot erkenning van de gemachtigden afwijkt, dienen met redenen te worden omkleed.
De minister brengt zijn beslissing tot doorhaling, nieuwe inschrijving of weigering van zulke inschrijving onverwijld ter kennis van de belanghebbende. Hij gaat over tot de doorhaling of tot de nieuwe inschrijving, naargelang van het geval, binnen de maand na de ontvangst van het advies.]1
----------
(1)<W 2018-07-08/06, art. 20, 061; Inwerkingtreding : 01-12-2020>
Bron: Justel
