Artikel XIII.20, WER

Art. XIII.20. [1 § 1. Elke adviesaanvraag van een overheidsinstantie waarvoor de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven of een in haar schoot opgerichte bijzondere raadgevende commissie bevoegd is, wordt ingediend bij het secretariaat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
  De voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven maakt, op voorstel van de secretaris, het verzoek tot advies over aan de bevoegde bijzondere raadgevende commissie of commissies.
  § 2. Als aan meerdere bijzondere raadgevende commissies een vraag voorgelegd wordt over eenzelfde onderwerp, dan worden de adviezen van de bijzondere raadgevende commissies opgenomen in een globaal advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Het secretariaat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven staat in voor de verzending van dit advies aan het overheidsorgaan dat om het advies heeft verzocht.
  § 3. De overheidsinstantie die om een advies verzoekt, bepaalt in de aanvraag een termijn waarbinnen het advies moet worden uitgebracht. Deze termijn mag niet minder bedragen dan een maand, tenzij in geval van gemotiveerde hoogdringendheid.
  De adviezen worden genomen binnen de door de overheidsinstantie vastgestelde termijn. Indien de termijn is verstreken en geen advies is verstrekt, is het advies niet meer vereist.
  § 4. De adviezen van de bijzondere raadgevende commissies worden bij consensus aangenomen. Bij gebrek aan consensus herneemt het advies de verschillende standpunten.
  § 5. De adviezen van de bijzondere raadgevende commissies en het globaal advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven zijn met redenen omkleed.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-12-15/44, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 30-04-2014>

  
Bron: Justel