Mondelinge parlementaire vragen nr. 15326 en 15931 van de heer Gautier Calomne en nr. 15756 van mevrouw Griet Smaers d.d. 18.01.2017

Kamer, Integraal Verslag - Commissie voor de Financiën, 2016-2017 CRIV 54 COM 570 d.d. 18.01.2017, blz. 6

Het taks sheltermechanisme voor de podiumkunsten - De taks shelter voor podiumkunsten

VRAAG (van de heer Calomne)

Een jaar nadat er rond de regeringstafel een akkoord werd bereikt over een taks shelter voor de podiumkunsten, zou die er binnenkort komen, aangezien het wetsontwerp daarover in december 2016 werd aangenomen. De cultuurindustrie heeft het erg moeilijk en ziet haar inkomsten teruglopen, omdat de gemeenschappen de subsidiekraan dichtschroeven en als gevolg van chronische onder investeringen. Dankzij de fiscale stimulus zullen bedrijven in de podiumkunsten kunnen investeren. Zal men nog steeds ad-hoc vennootschappen kunnen oprichten, waardoor vzw's kunnen vermijden dat ze aan de vennootschapsbelasting worden onderworpen? Kunt u meer duidelijkheid geven over de mogelijke overdracht in geval van onvoldoende belastbare gereserveerde winst? Kan de niet-bruikbare vrijstelling naar het volgende belastbare tijdperk worden overgedragen? Wanneer zullen de wet en de uitvoeringsbesluiten worden gepubliceerd?

VRAAG (van mevrouw Smaers)

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over de uitbreiding van de taks shelter tot de podiumkunsten en de jongste regeling die daarover vorig jaar goedgekeurd is. Ze is gericht op een verduidelijking en op de juiste interpretatie van de bepaling in dat wetsontwerp over de vzw's. Ik verklaar mij nader. In het wetsontwerp wordt bepaald dat de regeling de vzw's verplicht onderwerpt aan de vennootschapsbelasting. Gemiddeld vier jaar zullen vzw's die kwalificeren als een productievennootschap onderworpen worden aan de vennootschapsbelasting, ook al waren zij voordien onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. Deze onderwerping aan de vennootschapsbelasting geldt onverminderd de toepassing van artikel 182 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. De vraag is gerezen wat hier uiteindelijk mee bedoeld wordt, aangezien de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp met geen woord rept over de bedoeling van dit artikel. Artikel 182 van het WIB stelt dat voor vzw's en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk hebben, bepaalde verrichtingen niet als verrichtingen van winstgevende aard aangemerkt worden, met name: alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen, verrichtingen die bestaan uit beleggingen in fondsen die worden ingezameld in de context van de statutaire opdracht, en verrichtingen die bestaan uit een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking heeft of die niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd. Een mogelijke interpretatie van het wettelijke voorbehoud wordt door de gespecialiseerde pers als volgt omschreven: een vzw die aan de rechtspersonenbelasting onderworpen is, moet in principe aan de vennootschapsbelasting onderworpen worden zodra zij optreedt als een productievennootschap of als tussenpersoon, hoewel de onderwerping aan de rechtspersonenbelasting niettemin behouden kan blijven zodra blijkt dat het slechts gaat om één van de opgenoemde uitzonderingen, of een alleenstaande of uitzonderlijke verrichting. Ik kom tot mijn vragen. Ten eerste, kunt u verduidelijken wat er precies bedoeld wordt met het wettelijke voorbehoud inzake de toepassing van artikel 182 van het Wetboek Inkomstenbelastingen? Ten tweede, bent u het eens met de bovenstaande zienswijze zoals die gesteld is in de gespecialiseerde pers? Ten derde, bent u van plan de hele problematiek van de onderwerping van vzw's aan de vennootschapsbelasting verder uit te werken, bijvoorbeeld in een rondzendbrief of in een lijst met veelgestelde vragen, zodat er meer duidelijkheid komt over de interpretatie en het precieze doel van de regel? Zo ja, in welke timing voorziet u?

ANTWOORD (van de minister)

De wet werd op 17 januari 2017 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Ze treedt onmiddellijk in werking. De bepalingen zijn van toepassing op de raamovereenkomsten die vanaf 1 februari aanstaande gesloten zullen worden. Er werd een uitvoeringsbesluit om advies voorgelegd aan de Raad van State. Ik wil dat besluit zo snel mogelijk laten publiceren. De erkende productievennootschappen die een raamovereenkomst voor de productie van een podiumwerk sluiten, vallen in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar dat verbonden is aan een belastbaar tijdperk waarin ze die raamovereenkomst hebben gesloten en voor de drie daaropvolgende aanslagjaren. De wet verbiedt verenigingen die als vzw opgericht zijn niet om een vennootschap op te zetten met als hoofddoel de productie van podiumproducties die zullen worden opgevoerd door de vzw die de vennootschap heeft opgericht, maar dan moet die vennootschap erkend zijn en aan de voorwaarden voldoen - onder meer de voorwaarde om de productie- en exploitatie-uitgaven voor het in aanmerking komende werk in België te doen. De tijdelijke vrijstelling die een investeerder zou kunnen genieten door de ondertekening van een raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel en een raamovereenkomst voor de productie van een podiumwerk in hetzelfde belastbare tijdperk, wordt beperkt tot 50 % van de belastbare gereserveerde winst tijdens dat tijdperk, met een maximum van 750 000 euro. Die beperkingen gelden in het algemeen bij de vaststelling van de vrijstellingen in het kader van de taks shelters voor audiovisuele en podiumwerken. Als er geen of niet genoeg winst is tijdens een belastbaar tijdperk waarin er op de tijdelijke vrijstelling aanspraak kan worden gemaakt, wordt de niet-toegekende vrijstelling op de winsten van de vier volgende belastbare tijdperken verleend, maar de vrijstelling mag de voornoemde limieten voor elk van die belastbare tijdperken niet overschrijden. Wanneer de vrijstelling voor het belastbare tijdperk meer dan 750 000 euro bedraagt, wordt de vrijstelling tot dat bedrag beperkt. Het overschot kan niet worden afgetrokken tijdens de volgende belastbare tijdperken. De sector staat positief tegenover die maatregel. Naar verluidt zou bij de investeerders het aanbod groter zijn dan de vraag. Mevrouw Smaers, zoals uit parlementaire stukken blijkt, is het inderdaad de bedoeling dat ook de verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen kunnen optreden als productievennootschap. Die verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen worden aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwonersvennootschappen onderworpen voor het belastbaar tijdperk waarin zij een raamovereenkomst in het kader van de taks sheltermaatregelen voor podiumkunsten sluiten en voor de drie daaropvolgende aanslagjaren. Het wettelijk voorbehoud waarnaar u verwijst, zorgt in die zin inderdaad voor verwarring, aangezien het niet de bedoeling is de onderwerping aan de vennootschapsbelasting uit te sluiten in de door u aangehaalde gevallen. Die bepaling zal dan inderdaad ook worden aangepast. Mijn administratie streeft er steeds naar om binnen een aanvaardbare termijn nieuwe wettelijke bepalingen te bespreken in een circulaire die gepubliceerd wordt. Dat zal in dezen ook zo snel mogelijk gebeuren.

CONCLUSIE (van de heer Calomne)

Dat is zeer positief.

CONCLUSIE (van mevrouw Smaers)

Mijnheer de minister, ik dank u om dat voorbehoud te verduidelijken in een circulaire.