Parlementaire vraag nr. 227 van mevrouw Pieters van 20.01.2004

VRAAG 04/227

Vraag nr. 227 van mevrouw Pieters dd. 20.01.2004


Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 28, blz. 4337-4340

Nietigheid en willekeurigheid van een belastingaanslag - Bezwaarschrift - Vervangende aanslag

VRAAG

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 366, WIB 1992, kan door de belastingplichtigen tegen een gevestigde aanslag in de personenbelasting of in de vennootschapsbelasting een geldig en tijdig bezwaarschrift worden ingediend waarbij tezelfdertijd ook de "nietigheid" en/of de "willekeurigheid" van die betwiste aanslag kan worden ingeroepen.

In de huidige stand van de fiscale wetgeving en recente rechtspraak rijzen terzake wel de volgende algemene pertinente vragen.

1. Kan die nietigheid en/of willekeurigheid door de belastingplichtige naderhand nog altijd worden ingeroepen ter gelegenheid van de aanvulling van een bezwaarschrift overeenkomstig de bepalingen van artikel 372, WIB 1992, of vervolgens voor het eerst in gerechtelijke fase?

2.

a) Kan die "nietigheid" en/of "willekeurigheid" van een overeenkomstig artikel 351, WIB 1992, "ambtshalve" gevestigde aanslag eveneens worden ingeroepen in een bezwaarschrift, in een aanvulling ervan of pas voor het eerst in gerechtelijke fase?

b) Zo neen, waarom telkens niet?

3. Kan of moet een "negatieve" aanslag in de personenbelasting of in de vennootschapsbelasting eveneens (ambtshalve) worden ontheven wegens nietigheid en/of wegens willekeurigheid?

4. Kan of moet de belastingadministratie de willekeurigheid en/of de nietigheid van een positieve of negatieve aanslag telkens steeds spontaan opwerpen wanneer dit zou blijken uit de behandeling en uit het onderzoek van een geldig bezwaarschrift en dit door de belastingplichtige niet als een grief werd aangekaart

a) bij een aanslag gevestigd ingevolge een bericht van wijziging van aangifte (zie: artikel 346, eerste en vijfde lid, WIB 1992);

b) bij een aanslag ingekohierd naar aanleiding van een gewone akkoordverklaring;

c) bij een ambtshalve aanslag gevestigd op grond van artikel 351, WIB 1992?

5. Door welke belastingdiensten (directie, inspectie, taxatiedienst, controlecentrum) of al dan niet gedelegeerde geschillenambtenaar moet de nietigheid en de willekeurigheid van een aanslag voortaan telkens verplicht worden uitgesproken?

6.

a) Hoe worden de beide begrippen "nietigheid" en "willekeurigheid" door de belastingadministraties thans telkens precies gedefinieerd, omschreven en becommentarieerd?

b) Wat zijn respectievelijk telkens de juridische gevolgen voor de betwiste aanslagen wanneer de nietigheid en/of de willekeurigheid ervan werd of ambtshalve moet worden opgeworpen?

7.

a) Binnen welke wettelijke of reglementaire termijnen en/of op welke administratief aanbevolen tijdstippen zijn de directie- of geschillenambtenaren verplicht de nietigheid en/of de willekeurigheid van een positieve of negatieve aanslag telkens uit te spreken?

b) Wat zijn alle juridische voor- en nadelen zowel voor de belastingplichtige als voor de belastingadministratie wanneer dit telkenmale niet of laattijdig zou zijn geschied?

8. Kan u, punt per punt, uw huidige algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de thans vigerende bepalingen van de artikelen 355 en 366 tot en met 375 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en in het kader van de nieuwe en klantvriendelijke fiscale cultuur alsmede van de beginselen van een behoorlijk en performant bestuur?

ANTWOORD (minister van Financiën, 08.04.2004)

1. Overeenkomstig artikel 372, WIB 1992, kan de belastingplichtige zijn oorspronkelijk bezwaarschrift aanvullen met grieven betreffende de nietigheid en/of de willekeurigheid van de aanslag. Die nieuwe, schriftelijk geformuleerde bezwaren kunnen ook voor het eerst worden geformuleerd in de gerechtelijke fase, met dien verstande dat de vordering die voor de rechter aanhangig is, slechts zal kunnen uitgebreid of gewijzigd worden indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte die in de dagvaarding of de voorziening worden aangevoerd (artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek).

2. Het antwoord is identiek aan het hierboven vermelde antwoord.

3. Een nietige of willekeurige aanslag wordt in beginsel vernietigd en niet ontheven.

4. Voor de drie aangehaalde gevallen is het antwoord ontkennend.

5. Gelet op het antwoord op punt 4, is deze vraag zonder voorwerp.

6.

a) Er is sprake van willekeurigheid wanneer de administratie een rechtsdwaling heeft begaan of op onjuiste feiten heeft gesteund of nog uit de juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid (Cass. van 7 december 2000, Arr. Cass. 2000, 675). Het al dan niet willekeurig karakter van de ambtshalve gevestigde aanslag kan enkel worden getoetst aan de gegevens waarover de aanslagambtenaar op het ogenblik van het opmaken van de aanslag beschikte of kon beschikken (Cass. van 8 juni 2000, www.cass.be).

Nietigheid daarentegen is het gevolg van een overtreding van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven procedureregel of het gevolg van willekeur bij het vestigen van de aanslag. In fiscale zaken wordt de nietigheid of de willekeurigheid van de aanslag getoetst aan de hand van de feitelijke gegevens van de betwisting.

b) Het gevolg van de nietigheid van de aanslag om een andere reden dan de overtreding van een regel betreffende de verjaring is dat deze aanslag als niet bestaande wordt beschouwd. De administratie heeft dan de mogelijkheid om een vervangende aanslag te vestigen met toepassing van artikel 355, WIB 1992, of om een subsidiaire aanslag met toepassing van artikel 356, WIB 1992, ter beoordeling voor te leggen aan het gerecht. Wanneer de willekeurigheid van een ambtshalve gevestigde aanslag wordt vastgesteld, is het vaststaande rechtspraak dat de aanslag in zijn geheel wordt vernietigd. Willekeur is dus een grond tot vernietiging van de aanslag.

7.

a) en b) Principieel zijn er geen wettelijke of reglementaire termijnen voorzien waarbinnen de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaren verplicht zijn de nietigheid of de willekeurigheid van een aanslag uit te spreken. Wel bepaalt artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek dat wanneer binnen zes maanden vanaf de datum van het administratief beroep (of negen maanden wanneer de betwiste aanslag ambtshalve door de administratie is gevestigd) geen uitspraak is gedaan, de belastingplichtige het recht heeft een voorziening in te dienen bij de rechtbank van eerste aanleg.