Parlementaire vraag nr. 75 van de heer Wouter Vermeersch van 08.11.2024
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/004 d.d. 19.12.2024, blz. 267
De toepassing van de auteursrechten bij gemeenschappelijk vermogen
VRAAG (van de heer Vermeersch)
De commissie voor Financiën en Begroting is in tweede lezing samengekomen op 19 december 2022 over de hervorming van de auteursrechten (Parl. St., Kamer, 2022-2023, 55K3015). Tijdens deze vergadering heb ik u gevraagd of u kunt bevestigen dat de drie begrenzingen (de relatieve begrenzing 30/70 regel, de absolute begrenzing en de begrenzing volgens gemiddelde van de vier voorgaande tijdperken) dienen toegepast te worden in hoofde van de ontvanger van de inkomsten die verplicht is aangifte te doen en dus na toepassing van de clausules binnen het huwelijkscontract inzake toewijzing van de inkomsten aan de beide echtgenoten (Parl. St., Kamer, 2022-2023, 55 3015/020). U heeft daar toen bevestigend op geantwoord. Ik heb hierover een eenvoudige bijkomende vraag. Kunt u, in dit kader, eveneens bevestigen dat de forfaitaire kosten inzake auteursrechten moeten worden berekend op de belastbare grondslag van elke echtgenoot afzonderlijk, na de toepassing van artikel 127, 3° en 4° WIB 92 ingevoerd bij de wet van 10 augustus 2001 inzake de invoering van de volledige decumul. Concreet: Een schrijver ontvangt concessie-inkomsten (alle voorwaarden en begrenzingen zijn voldaan om als fiscaal als auteursrecht te kwalificeren) in het wettelijk stelsel die vermogensrechtelijk in het gemeenschappelijk vermogen vallen van 40.000 euro. Zij vallen dus onder de toepassing van artikel 127, 4°, WIB 92. Kan u bevestigen dat de forfaitaire kosten in dat geval ook berekend moeten worden na de toepassing van artikel 127, 4° WIB 92, zijnde per echtgenoot op 20.000 euro?
ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale loterij)
Wanneer één van beide of beide echtgenoten die volgens het wettelijk stelsel zijn gehuwd en samen worden belast, inkomsten uit auteursrechten (bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hierna WIB 92) heeft of hebben verkregen, moet eerst, voor elke echtgenoot die dergelijke inkomsten heeft verkregen afzonderlijk, worden bepaald of die inkomsten hun hoedanigheid van roerende inkomsten behouden, dan wel geheel of gedeeltelijk als beroepsinkomsten moeten worden aangemerkt (toepassing van artikel 37, WIB 92, op het niveau van de bruto-inkomsten). Als na de toepassing van artikel 37, WIB 92 het geheel of een gedeelte van de bovenbedoelde inkomsten als beroepsinkomsten moet worden aangemerkt, is het nettobedrag van die inkomsten belastbaar op naam van de echtgenoot die de inkomsten heeft verkregen (toepassing van artikel 127, 1°, WIB 92). Behoudt het geheel of een gedeelte van de bovenbedoelde inkomsten na de toepassing van artikel 37, WIB 92 de hoedanigheid van roerende inkomsten, dan moet eerst, voor elke echtgenoot die dergelijke inkomsten heeft verkregen afzonderlijk, het brutobedrag van die inkomsten en de ervan aftrekbare kosten worden vastgesteld. Als een gedeelte van die roerende inkomsten in het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten valt, moet het brutobedrag van dat gedeelte en het gedeelte van de kosten dat er proportioneel betrekking op heeft, fifty-fifty over beide echtgenoten worden verdeeld (toepassing van artikel 127, 4°, WIB 92). Het gedeelte van de bovenbedoelde roerende inkomsten dat niet in het gemeenschappelijk vermogen valt en de kosten die daarop betrekking hebben, moeten worden aangegeven door de echtgenoot die de inkomsten heeft verkregen (toepassing van artikel 127, 3°, WIB 92). Dat principe is ook terug te vinden in nr. 12 van de administratieve circulaire van 2 juli 2014 (ref. Ci.RH.233/632.229) en in nr. 126/20 van de administratieve commentaar op het WIB 92. In het concrete geval aangehaald in de vraag betekent dit dat op het brutobedrag van de inkomsten verkregen door de schrijver (40.000 euro) eerst de forfaitaire kosten moeten worden berekend (14.612,50 euro voor aanslagjaar 2025 - inkomsten van het jaar 2024) en daarna zowel dat brutobedrag als het bedrag van die kosten fifty-fifty over beide echtgenoten moeten worden verdeeld.
