Parlementaire vraag nr. 819 van de heer Luk Van Biesen van 20.03.2014
Parlementaire vraag nr. 819 van de heer Luk Van Biesen dd. 20.03.2014
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/158 dd. 25.04.2014, blz. 293
Inkomstenbelastingen. - Interne vereffening
VRAAG (van de heer Van Biesen)
In verband met de zogenaamde interne vereffening (cf. artikel 537 WIB 1992) rijst de vraag hoe het handhaven van een bestaande dividendpolitiek (cf. artikel 537, derde lid, WIB 1992) moet worden beoordeeld wanneer twee vennootschappen die van de overgangsregeling gebruik hebben gemaakt of gebruik zullen maken, met elkaar fuseren. Veronderstel: vennootschap X sluit af per 31 december en heeft in december 2013 beslist om gebruik te maken van de overgangsregeling. De formalisering van de inbreng zal gebeuren vóór 31 maart 2014. Het boekjaar 2013 wordt afgesloten met winst en op basis van de dividend payout ratio uit het verleden zal een gewoon dividend moeten uitgekeerd worden over 2013. Vennootschap Y sluit af per 30 juni en zal nog vóór 30 juni 2014 een interne vereffening uitvoeren. Gelet op de verwachte winst zal ook vennootschap Y een gewoon dividend moeten uitkeren. Vennootschap Y zal nog vóór 30 juni 2014 vennootschap X overnemen (fusie door overname), met een boekhoudkundige retroactiviteit tot 1 januari 2014. De notariële fusie-akte wordt verleden vóór de datum dat vennootschap X normaal gezien haar jaarlijkse algemene vergadering zou houden, waarop zij in principe zelf tot uitkering van een dividend zou kunnen beslissen. Met andere woorden, de verplichting om de bestaande dividendpolitiek verder te zetten, wordt (per veronderstelling) doorgeschoven naar vennootschap Y omdat vennootschap X heeft opgehouden te bestaan.
1. Wat betreft de minimale dividenduitkering in hoofde van X:
a) Is het correct te stellen dat de verplichting tot uitkering van een minimaal dividend, als gevolg van de fusie, wordt doorgeschoven naar vennootschap Y?
b) Aangezien vennootschap Y haar algemene vergadering pas houdt in december 2014 (afsluitdatum 30 juni 2014), zou de aldus doorgeschoven verplichting pas kunnen uitgevoerd worden in deze algemene vergadering?
c) Zo niet, welke uitwerking dient hier dan aan gegeven te worden?
2. Wat betreft de minimale dividenduitkering in hoofde van Y (abstractie makend van het reeds door vennootschap X doorgeschoven dividend): moet bij de berekening van de dividenduitkering in hoofde van vennootschap Y ook rekening worden gehouden met de winst over de periode 1 januari 2014 tot 30 juni 2014 welke afkomstig is van de overgenomen vennootschap X? Als gevolg van de fusie (met retroactiviteit) maakt deze winst immers integraal deel uit van het resultaat van vennootschap Y per 30 juni 2014.
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
Uit de bewoordingen van de gestelde vraag meen ik te mogen afleiden dat zij betrekking heeft op de berekening van de afzonderlijke aanslag in het kader van de door artikel 537 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) ingevoerde overgangsmaatregel, en dit ten name van twee binnenlandse vennootschappen die overgaan tot een belastingneutrale fusie. Dit laatste veronderstelt in het door het geachte lid gegeven voorbeeld, onder meer, dat de boekhoudkundige retroactiviteit ook op fiscaal gebied wordt aanvaard, een veronderstelling waarvan hierna onder alle voorbehoud wordt uitgegaan. Vooreerst wens ik te verduidelijken dat de voormelde overgangsmaatregel niet de verplichting heeft ingevoerd om een dividend uit te keren. De eventuele vestiging van een afzonderlijke aanslag is ingevoerd om het geval tegen te gaan waarbij een vennootschap haar uitkeringsbeleid aanpast door het gedeelte van de "gewone" dividenduitkering (die aan 25 % roerende voorheffing onderworpen is) te verminderen ten gunste van de dividenden die geïncorporeerd worden in het maatschappelijk kapitaal in het kader van de overgangsmaatregel van artikel 537, eerste lid, WIB 92. Of in het voorbeeld in hoofde van de overgenomen vennootschap X voldaan is aan het handhaven van de dividendpolitiek (waardoor de afzonderlijke aanslag niet verschuldigd is), zal moeten blijken uit de aangifte in de vennootschapsbelasting die voor deze vennootschap moet worden ingediend, en die in het voorbeeld betrekking heeft op haar fiscaal resultaat van het boekjaar 2013. Die aangifte moet worden ingediend binnen de in artikel 310, WIB 92 bepaalde termijn, onder voorbehoud van het verkrijgen van een afwijking in toepassing van artikel 311, WIB 92. Met betrekking tot de berekening van de hiervoor bedoelde afzonderlijke aanslag ten name van de overnemende vennootschap Y zal de winst over de periode van 1.1.2014 tot 30.6.2014, die afkomstig is van de overgenomen vennootschap X, nog steeds in dezelfde voormelde veronderstelling, inderdaad deel uitmaken van het resultaat van de vennootschap Y per 30.6.2014.
