Parlementaire vraag nr. 3-1733 van de heer Collas van 22.06.2006
Mondelinge parlementaire vraag nr. 3-1733 van de heer Collas dd. 22.06.2006
Hand., Senaat, 2005-2006, nr. 3-172, blz. 46-49
Tax Shelter
VRAAG
Het festival van Cannes is drie weken geleden geëindigd. Vorig jaar werd de Gouden Palm toegekend aan de broers Dardenne.
De Belgische filmproductie doet het beter dan ooit. Het TaxSheltersysteem draagt daar sterk toe bij. Het geeft de investeringen in audiovisuele producties een dynamiek. Het lijkt evenwel noodzakelijk bepaalde toepassingsvoorwaarden van artikel 194 ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen betreffende de Tax-Shelterregeling te preciseren.
Het gaat in de eerste plaats om de Tax Shelter op televisieseries. Hoewel artikel 194 ter daarvoor geen grens vastlegt, preciseert de circulaire van 23 december 2004 in punt 26, daarbij verwijzend naar een passage uit de voorbereidende werkzaamheden, dat enkel de lange fictiefilms voor televisie van meer dan 52 minuten in aanmerking komen voor de Tax Shelter.
Die administratieve beperking stemt niet overeen met de werkelijkheid van de televisieprogramma's. De speelduur van de meeste nieuwe fictiefilms voor televisie bedraagt 52 minuten, maar een evolutie naar een kortere speelduur is mogelijk. Er is sprake van 22 minuten, naar Amerikaans voorbeeld.
Kan de minister bevestigen dat de tekst van artikel 194ter moet worden toegepast, zodat de duur van 52 minuten niet moet worden beschouwd als een wettelijke voorwaarde, met dien verstande dat de fictionele voorwaarde blijft bestaan?
Als een beperking inzake de duur desondanks moet behouden blijven in de circulaire, is het dan niet raadzaam die circulaire te wijzigen en te verwijzen naar een minimumduur van 22 minuten, overeenkomstig de praktijk in de sector?
Het tweede probleem betreft de dubbele investering in een film.
Enerzijds sluit artikel 194ter de mogelijkheid van het gelijktijdig of opeenvolgend sluiten van meerdere kaderovereenkomsten door dezelfde investeerder voor eenzelfde film niet uit. Daarentegen bepaalt de circulaire van 23 december 2004 in punt 19, alinea 5 dat 'het niet toegelaten is dat een belastingplichtige meerdere gelijktijdige of opeenvolgende raamovereenkomsten afsluit met het oog op de financiering van eenzelfde audiovisueel werk'.
Nochtans heeft de Dienst Voorafgaande Beslissingen in de voorafgaande beslissing nr. 500.139 van 15 september 2005 er terecht aan herinnerd dat die praktijk niet verboden is door de wet en dus toegelaten is.
Kan de minister bevestigen dat men zich moet houden aan de tekst van artikel 194ter en dat het sluiten van meerdere opeenvolgende raamovereenkomsten door eenzelfde investeerder voor eenzelfde film bijgevolg niet verboden is?
Het derde probleem betreft de kosten voor een Belgische coproducer van een erkende film. Artikel 194ter bepaalt dat de buitenlandse vennootschap voor de productie van audiovisueel werk 150% van het geïnvesteerde bedrag als risicokapitaal moet besteden.
Via ruling - door de voorafgaande beslissing nr. 500.139 van 15 september 2005 - werd evenwel toegestaan dat de kosten die een buitenlandse coproducer in België maakt in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de Belgische in aanmerking komende uitgaven van de Belgische coproducer die de raamovereenkomst heeft ondertekend.
Rekening houdend met de doelstellingen van de Tax Shelter, is er immers geen enkele reden voor de uitsluiting van zulke in aanmerking komende uitgaven die zijn gedaan voor eenzelfde film door een coproducer die geen ondertekenaar is van een raamovereenkomst. Die uitgaven zullen de sector ten goede komen en zullen worden besteed aan de ontwikkeling van één bepaalde film, of ze nu door één of meerdere coproducers worden gedaan.
Dit punt is des te belangrijker omdat coproducties voor de financiering van een film in België heel gewoon zijn.
Een andere reden waarom het belangrijk is dat die in aanmerking komende uitgaven worden meegerekend is het feit dat ze moeten kunnen worden gedaan zonder dat de coproducers een nieuwe factuur moeten opmaken.
Een nieuwe facturering zou voor de producers kasproblemen - wegens de BTW-meerkosten -, en ook boekhoudkundige problemen opleveren: de Belgische coproducer die een nieuwe factuur zou opmaken voor de Belgische producer die de Tax-Shelterovereenkomst heeft ondertekend, zou de betaling van die factuur moeten ontvangen om zijn boekhoudkundige operatie af te sluiten. Als een Belgische producer een beroep doet op een andere Belgische producer om zijn film te financieren, doet hij dat precies om bijkomende geldmiddelen ter beschikking te krijgen.
Aangezien de coproducers een analytische boekhouding moeten voeren, zal de controleur kunnen controleren of de kosten overeenstemmen met de werkelijkheid en of ze in aanmerking komen.
Bevestigt de minister dat de kosten die de eventuele Belgische coproducers, die geen ondertekenaars zijn van een kaderovereenkomst, voor eenzelfde film hebben gemaakt, volledig als in aanmerking komende uitgaven mogen worden voorgelegd door de producer die medeondertekenaar is van een kaderovereenkomst, en zonder dat een nieuwe facturering tussen coproducers is vereist?
ANTWOORD (van de heer Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister - Ik lees het antwoord van de minister van Financiën)
In de commissie voor de Financiën van de Senaat heb ik reeds verklaard dat de kwalificatie 'lange fictiefilm voor televisie' verschilt van het begrip 'duur van de uitzending van een televisieserie', voor zover dat laatste in de eerste plaats afhangt van de keuze van de uitzender en niet van de aard van het werk.
Aangezien artikel 194 ter geen limiet bepaalt op dat vlak en er overeenstemming moet zijn met de gangbare duur van de televisieprogramma's, moet de vraag van de heer Collas bevestigend worden beantwoord. Mijn diensten zullen het nodige doen om de circulaire aan te passen.
Wat de dubbele investering betreft, herinner ik er vooreerst aan dat artikel 194 ter van het WIB 92 de opeenvolgende sluiting van twee raamovereenkomsten door eenzelfde investeerder voor eenzelfde film niet verbiedt. Dat werd bevestigd door de Dienst voor Voorafgaande Beslissingen, namelijk door de beslissing nr. 500.139 van 15 september 2005.
Ik ben zo vrij de heer Collas in dit verband te verwijzen naar de website www.fisconet.fgov.be voor de beslissing van de Dienst voor Voorafgaande Beslissingen, die de toepassing van artikel 194 ter ten voordele van een investeerder ingeval van ondertekening van opeenvolgende raamovereenkomsten door die investeerder, onderworpen heeft aan de verbintenis van de producer om bij de kaderovereenkomst een bepaling in te voegen waarin de mogelijkheid tot terugbetaling van de geleende bedragen in uitvoering van de eerste overeenkomst wordt uitgesloten, zolang de producer de bedragen die gestort zijn in het kader van de tweede overeenkomst niet heeft ontvangen en heeft gebruikt voor de film.
Met die beslissing wordt bovendien het voorstel van de verzoeker goedgekeurd om voor de berekening van de termijnen die aanvangen op de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst slechts rekening te houden met één enkele raamovereenkomst, namelijk de eerste voor de termijnen bepaald in 7° en 7° bis van §4 en de laatste voor de termijn van onoverdraagbaarheid van §4, 3°.
Aangezien die bepalingen geen voorwaarde vormen voor de mogelijkheid om meerdere opeenvolgende raamovereenkomsten te sluiten, maar slechts een praktisch gevolg zijn, zijn er geen problemen meer op het vlak van de controle en de berekening van die termijnen, zoals werd vermeld in de circulaire. Mijn diensten zullen dus het nodige doen om de circulaire in die zin aan te passen.
Het antwoord op die vraag is dus bevestigend en het nodige zal zo spoedig mogelijk worden gedaan.
Het is belangrijk dat de in aanmerking komende uitgaven die in België worden gedaan - of ze nu door een of meerdere producers worden gedaan en of die nu een raamovereenkomst hebben gesloten of niet - aan de ontwikkeling van eenzelfde film kunnen worden gewijd en de audiovisuele sector in België ten goede komen.
Daarentegen zou het met de huidige tekst (artikel 194 ter, §5, 8°) contra legem zijn om de volledige kosten die voor eenzelfde film zijn gemaakt door Belgische coproducers die geen raamovereenkomst hebben ondertekend, te beschouwen als in aanmerking komende kosten door de producer zonder dat er een nieuwe facturatie plaatsvindt.
Het is dus niet mogelijk een positief antwoord te geven op die vraag. Daarvoor moet de wet worden gewijzigd.
CONCLUSIE (van de heer Collas)
Ik ben zeer tevreden met dit antwoord.
Iedereen is het erover eens dat het Tax-Shelterregime een zeker succes kent.
Deze week nog hebben we met de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden het wetsvoorstel van collega Margriet Hermans besproken, dat deze gunstmaatregel wil uitbreiden tot de sector van de jeugdprogramma's en de jeugdreeksen. Het voorstel kreeg de steun van de MR-fractie en werd unaniem goedgekeurd door alle leden van de commissie.
Het systeem heeft vooral veel succes op het vlak van de investeringen. We mogen niet vergeten dat de investeerder die 100 investeert, 150% van de belasting van 33,9% recupereert, wat neerkomt op bijna 51%. De producer die 100 ontvangt, moet minimum 60% van de investeringen investeren als equity, dat wil zeggen eigen fondsen. Daardoor worden de externe fondsen en de leningen beperkt tot 40%. Het risico van de onderneming wordt dus redelijk klein voor de investeerder.
De vraag is of dat systeem toegankelijk kan worden gemaakt voor een privé-investeerder onder de vorm van beveks. Ik begrijp evenwel dat de staatssecretaris niet op die vraag kan antwoorden, noch op de vraag welke gevolgen die nieuwe fiscale maatregel reeds heeft gehad voor de werkgelegenheid. Margriet Hermans heeft het in haar voorstel over 3000 tot 4000 potentiële nieuwe banen.
