Parlementaire vraag nr. 1421 van mevrouw Pieters van 28.09.2006
VRAAG06/1421
Vraagnr. 1421 van mevrouw Pieters dd. 28.09.2006
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 160, blz.31068-31070
Sportbeoefenaars- Buitenlandse inkomsten - Woon-werkverkeer
VRAAG
Luidens de nrs. 23/291 en 23/292 van hetadministratief commentaar op het Wetboek van deinkomstenbelastingen 1992 (afgekort WIB 1992) moeten de inkomstenvan Belgische beroepsmotorrenners en van weg- enbaanelitewielrennners met vergunning uit fiscaalrechtelijk oogpuntblijkbaar worden gerangschikt onder twee verschillendebelastingcategorieën, enerzijds als beroepsinkomsten van bediendenmet een arbeidsovereenkomst waarvan sprake in de artikelen 30, 1°en 31 WIB 1992, en, anderzijds als baten van winstgevendebezigheden waarvan sprake in de artikelen 23, § 1, 2° en 27 WIB1992.
Ter zake rijzen voor elk van die Belgischeberoepssporters de volgende algemene en fiscale vragen.
1. In welke mate zijn al hun Belgische enbuitenlandse belastbare beroepsinkomsten (vaste salarissen, startgelden, onkostenvergoedingen, prijzen en winstpremies envoornoemde «fiscale baten» van winstgevende sportbezigheden) al danniet contractueel uitbetaald via hun sportfederaties ofrechtstreeks door de organisatoren en hun sponsors al dan niettezelfdertijd onderworpen aan de Belgische RSZ en/of aan hetsociaal statuut der zelfstandigen in de hoedanigheid vanzelfstandige in hoofd- of in bijberoep ?
2. Of, volstaan als eenmalige socialeverplichting, ongeacht die dubbele fiscale kwalificering, voorbeide soorten beroepsinkomsten (bezoldigingen en baten) de op hunmaandwedde forfaitair ingehouden RSZ-bijdragen, zodat zij allesociale rechten blijvend zouden kunnen genieten en volledig enperfect sociaal in regel zouden zijn ?
3. Welke individuele sociale verplichtingenen meldingsplichten nopens hun persoonlijke en professionelesituatie rusten er op die beide sportberoepscategorieën tenopzichte van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen derZelfstandigen, de erkende sociale verzekeringskassen en alle anderesociale instanties ?
4. In welke mate worden de in hetbuitenland behaalde netto beroepsinkomsten (fiscale baten), dieingevolge dubbelbelastingverdragen aldaar aan een bevrijdendeforfaitaire bedrijfsbelasting werden onderworpen, eventueel tochnog in aanmerking genomen voor de bepaling van de verschuldigdesociale bijdragen en van de Belgische personenbelasting ?
5. Op welke wijze worden die nettobelastbare Belgische en buitenlandse beroepsinkomsten uitgewisselddoor de belastingadministraties zodat die professionelesportbeoefenaars tengevolge van die dubbele fiscale kwalificering(wedden en baten) naderhand nooit sociale moeilijkheden zoudenondervinden ?
6.
a) Mogen die beroepssporters voor hunwoonwerkverkeer naar de jaarlijks terugkerende vaste startplaatsenvan motorwedstrijden en weg- en baanwielerkoersen hun autokosten inrekening brengen aan de hand van de 0,15 euro-regel waarvan sprakein artikel 66, § 4 en 5, WIB 1992 ?
b) Zo neen, waarom niet?
7. Kunt u ter zake uw «algemene» ziens enhandelwijze meedelen zowel in het licht van de thans vigerendesociale wetgeving en reglementering waarvan onder meer sprake in dewet van 24 februari 1978 en het sociaal statuut der zelfstandigenals van de wettelijke bepalingen van de artikelen 23, 27, 30, 31,49, 66, 155 en bij analogie de artikelen 228 en 270 WIB 1992 en deartikelen 16 of 17 van het merendeel van internationale enbilaterale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting ?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën,28.03.2007)
Het geachte lid gelieve hierna het antwoordop de door haar gestelde vraag te willen vinden.
1 tot 3. Deze vragen vallen onder debevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid ende minister van Middenstand en Landbouw (zie ook respectievelijk devragen nr. 520 en 141, van 28 september 2006 van het geachte lid).
4. De inkomsten die sportbeoefenaarsverkrijgen naar aanleiding van hun persoonlijke werkzaamhedenvallen onder artikel 17 van de door België geslotendubbelbelasting-verdragen. Dit artikel bepaalt dat de inkomsten diesportbeoefenaars verkrijgen naar aanleiding van hun persoonlijkewerkzaamheden belastbaar zijn in het land waar de activiteit wordtuitgeoefend. Indien sportbeoefenaars - inwoners van België - hunpersoonlijke werkzaamheden uitoefenen in een ander verdragsland, zal België deze inkomsten vrijstellen met progressievoorbehoud, mits deze sportbeoefenaars de nodige bewijzen kunnen voorleggen datzij hun activiteit hebben uitgeoefend in een ander verdragsland. Ikwil er uiteraard wel nog op wijzen dat dit de algemene regel is endat in een concreet geval elk verdrag afzonderlijk dient te wordengeraadpleegd.
5. De Belgische en buitenlandseberoepsinkomsten van een sportbeoefenaar worden door debelastingadministraties op dezelfde manier uitgewisseld als anderecategorieën van inkomsten.
Dit houdt in dat deze inkomsten al naargelang het geval via een spontane uitwisseling, een automatischeuitwisseling of via een verzoek om inlichtingen kunnen wordenuitgewisseld.
Indien er desondanks toch een dubbelebelasting zou ontstaan in hoofde van de sportbeoefenaar in kwestie, kan hij altijd een verzoek tot onderling overleg indienen op basisvan artikel 25 van de dubbelbelastingverdragen.
6. Artikel 66, §§ 4 en 5, van het Wetboekvan de inkomstenbelastingen 1992 is niet van toepassing op deverplaatsingen van hun woonplaats naar de jaarlijks terugkerendestartplaatsen van motorwedstrijden en weg- en baanwielerkoersen.Deze jaarlijks terugkerende startplaatsen van motorwedstrijden enweg- en baanwielerkoersen kunnen voor de vaststelling van deberoepskosten immers niet als vaste plaatsen van tewerkstellingworden aangemerkt.
